Zangh. Zoete Philis naardert uw' ooren.
I. WAar toe gepronkt uw' aardze leeden, En uw gemoet ge-la-ten naakt en bloot? Geen dierbaar kleet maakt schoone zeeden.
Noit acht de wijsheit 't aards vercierzel groot Indien men zeeker mach vertrouwen Op teikens, die het oog' van buiten ziet: Zy zijn voor klein van weetenschap te houwen, Die 't lichaam pronken en de ziele niet.
I I. 't Verstant zoekt stof om op te werken, 't Zy dat die stof of waardigh is of quaat: En daar 't op werkt, daer kanmen merken Dat het niet lichtelijk van af en laat; Indien 't den Heere wil behagen, Zoo wordt het haast des weerelts weelde moe; En zal voor 't binnenst' goede zorge dragen, En maken 't rein, en 't buitenst' ook daar toe.
I I I. Dan kan geen dwaasheit hem beletten: Geen pracht noch trots belemmert meer zijn geest. Hy wil geen hert' op 't zienlijk zetten, Maar slechts op God die hy bemint en vreest: En nu hy, in die bezigheden, Zijn ziel bevestight in d'oprechte deugt; Genaakt hy God met vuurige gebeden, En heeft een afkeer van des weerelts vreugt.
I V. Door 't alderhoogste goet te weeten, Wanneer de lust daar aldermeest na trekt; Wert dit verganklijk haast vergeeten 't Welk met veel zwarigheeden is bevlekt. Geen kindzelust kan hem vermaken. Hy kent geen pronk aan huis of lichaam meer. Zijn ziel rust nu alleen in zulke zaken Die namaals overblijven by den Heer.
V. Zoo grooten kragt heeft God gegeeven Zoo wel zijn woort, als die zijn woort bewaart. Die na dat woort oprecht wil leeven En daar in blijven krijgt des Heeren aart. Hy kan kloekmoediglijk verachten 't Geen nu verheeven wort in 't algemeen. En met geen minder mogentheit betrachten 't Geen meest voor elk te nietich is en kleen.
V I. Een Wijse kentmen in 't verkiezen. By zulk een is de keur volkomen goet
Die geern het minste wil verliezen Voor 't geen hem 't aldergrootste voordeel doet. Wat is een weinigh lust der oogen Die 't graagh gezicht wel lokt, maar niet verzaat? Helaas! een schijn die veelen heeft bedroogen En doen beklagen als het was te laat.
V I I. O ghy die nu de lust van 't leven Laat vallen of op aardze zinlijkheit, Of iets dat hier 't gemoet doet kleven Aan 't geen de Heer zijn koninkrijk ontzeit: Wat ist, uw tijt kan 't niet langh maken Die God misschien den naasten nacht verkort. Poogt daarom zeer aandachtigh op te waken Eer u het ongeluk ter neder stort.
V I I I. Voor 't los beginnen eerst verzinnen Eer datmen zich te reukeloos vertast. Met naberouw is niet te winnen. 't Betaamt dat elk op eigen welstant past. Daar wort door domheit meer verloren, Als zomtijts door beleit by een gehaalt. Te grooten wellust kan de reeden smoren. Daar reden ruimt wort met gevaar gedwaalt.
I X. Laat waarheit eens uw leitsman wezen, En zijt bereit uw zelven uit te gaan: Vw ziek gemoet zal wel genezen, En uwe krachten haast in order staan. Dan zal geen dwaasheit u meer lokken,
Tot ydelheit wanneer ghy door 't verstant Het quade zaat zijn voedtzel hebt onttrokken; En God en deugde krijgt de overhant.
Cookies on Poetry Cove