Zang: Granida Princesse.
DAar de zinnen dwalen Buiten 't spoor der Reeden wijl 't gezicht zich al te graag vergaapt: En de lust haar palen dreigt te overtreden, Zoo maar eens de aandacht zorgloos slaapt; Daar wort een deur tot
zonden op - gedaan, Ten zy de vreeze Gods tracht de lust te wederstaan.
I I. 't Hert', door oor' en oogen Die 't vermaak ontfanghen Voor 't gevoel, 't welk eigenheil bemint; Wert zeer licht bedroogen, Als 't gewenst verlangen, Na 't geniet der lust, 't gemoet verblint. Want daar 't verstant door wellust is bevlekt, Gelooft'et van 't bederf dattet zich ter welvaart strekt.
I I I. Dit te licht vertrouwen, Laat de zonde binnen In 't gemoet, daar zy haar wortel schiet. En begint te bouwen In die zwakke zinnen, Tot de geest haer quaden aart geniet; Daar zy dan teelt het zelf ja grooter quaat, Gelijk 't gezaide zaat weder voortbrengt zulk een zaat.
I V. Die dit quaat wil weren, Om zijn ziel te sparen
Voor 't fenijn van een onkuisse brant: Moet zijn oogen keren, En zijn hert' bewaren Door de kracht van 't redelijk verstant: En stuuren zich der vroomen Heirbaan in, Zoo wort hy omgekeert en vernieut in hert en sin.
V. Kuisse Jongelingen, Teer' en zoet Maagden Hout uw zielen voor de wellust rein. 't Meereminne zingen, Of 't u oit behaagden, Stop uw ooren, haar vermaak is klein. Haar lust baart last, haar vreughde gal en roet. Maar 't quaat te wederstaan geeft het alderzoetste zoet.
V I. Wie durf God genaken, Als hy van gedachten Onrein is, en zich in wellust voedt? Leer eerst 't quaat verzaken, En der deugt betrachten, Eer ghy zulx te onaandachtigh doet. God wil alleen, in waarheit en in geest, In ernst zijn aangebeen van den genen die hem vreest.
Cookies on Poetry Cove