Zangh: In 't Bos om Wezel groeit houtz genoeg. Of: Wilt vrolijk leven, &c.
I. ZEer grooten zegen Is nu verkregen, Voor die de wegen Des Heeren gaan. Gods Bondgenooten, Is nu ontslooten Een overgroote Ge-na-de baan': Des levens kroon, In 's hemels throon, Een
lustige blijdschap, die nimmermeer scheit, Verlost van lijden Van leet van strijden, En vol verblijden In eeuwigheit!
I I. Verheug van binnen In geest en zinnen En wilt beginnen Tot Godes lof, Uit 's herten dringen, Zijn roem te zingen: Want hier zijn dingen Van rijke stof Vertel het goet 't Welk God u doet, En gallem zijn vriendlijke goedigheit uit; Dat Zerafijnen En Cherubijnen Met vreugt verschijnen Op uw geluit.
I I I. Zoo zulk vermaken, Vw ziel doet waken
Op al haar zaken, Met ernst voortaan; Om namaals mede Voor God in vrede, Met Bruilofts kleeden Bereit te staan: Zoo brengt die vreugt V, door de deugt, In 't Koninkrijk Christi, gelukkigh vol Eer. Zoo zoeten leven Wert hun gegeven, Die neerstigh streven Na waarheits leer.
I V. Gezangh en snaren, Door 't lieflijk paren, Kan blijdschap baren In 't moedloos Hert': Zy doen de krachten Weer opwaarts trachten, Eer zy versmachten Door anxt en smert. Zoo zal 't gemoet, Door 's Hemels zoet, Vermaakt, en ontbonden van droefheit vol vreugt Zich zelf verquikken, En niet meer schrikken; Maar yvrigh schikken Ter ware deugd.
V. Onreinen gronde,
Bezett met zonde, Wert niet gevonde In 't vroom getal, 't Welk, alle nooden En ramp ontvlooden, Dan uitten dooden Verrijzen zal; Maar die het quaat Volkomen laat, En Christi gezintheit natuurlijk vertoont: Daar overvloedigh Zijn geest, zaghtmoedigh, Oprecht en goedigh, Vol deugt inwoont.
V I. Wel aan ô vroomen! Wilt geenzints schroomen Om voort te koomen Op 't heiligh padt. De gunst des Heeren, Zal u vereeren, Na u begeeren, Met al zijn schat. Zijt maar getrouw In vreugt en rouw; Gesterkt inder waarheit en liefde gelijk: Op dat uw ooren Na dezen hooren, Koom uitverkooren Bezit mijn rijk.
Cookies on Poetry Cove