Zangh: Van Helena. Of: Menenaars u, &c.
I. GOds Zoon, om openbaar Te wijzen aan 't verstant, Hoe 't wezen zal hier naar Als hy 't gerichte spant, Om yder straf of loon Na hy verdient te ge-ven; Stelt in zijn leer ten toon Een spiegel voor ons le-ven.
I I. Daar waren, zeit hy, tien Jonkvrouwen, allegaar Met lampen wel verzien: Waar van de vijve maar Des olys dierbaar nat In hare lampen deden, En namen, boven dat, Haar volle vaten mede.
I I I. De andre, dwaas bedacht Al gaf de lamp geen schijn, Die hebben niet getracht Om ook verzien te zijn. Haar vaten bleven bloot, Haar lampen zonder luister. De blintheit is zeer groot, Daar 't alles is in 't duister.
I V. De Maagden, in dien staat Beraden t'zamen, om Dat elk met zijn cieraat Des hemels Bruidegom Zou treden in 't gemoet, Om zijn gena te smaken; En elk zijn heerlijk goet Tot eigendom te maken.
V. Als nu de Bruidegom wat Te lange heeft gebeit, Heeft haar de slaap gevatt En hun ter rust geleit: Maar wijl de nagt' genaakt Wert een geroep vernomen, Den Bruigom komt: ontwaakt, En wilt hem tegen komen.
V I. Een yder zeer verschrikt Stont veerdigh op de been: De Wijze, wel geschikt Met oly, gingen heen. De dwaze zeiden och! Ons lampen die verdwijnen: Geeft ons wat oly toch, Op datze mogen schijnen.
V I I. De Wijse zeide neen Wy hooren hier niet na, Op dat ons in 't gemeen De oly niet ontga. Die zaak is vol gevaar. Wilt na de stadt toe loopen, En oly met malkaar In uwe vaten koopen.
V I I I. Dit hebben zy gedaan: Maar als sy gingen voort, Doen quam de Bruigom aan En nam hun, na zijn woort,
Ter blijde bruiloft in Als zijne gunstgenooten, Verheerlijkt na haar zin. Doen wiert de deur geslooten.
I X. De andre quamen weer Met roepen en geklop, En zeiden Heere Heer! Wy bidden doet ons op. Hy zeide, wijkt en vliet, Wat vordert uw verlangen? Want ik en ken' u niet. Ik wil u noit ontfangen.
X. O droefheit overgroot! O schrikkelijke schrik! Helaas! de snelle doot Kan, in een oogenblik, Wanneer men 't niet en weet Op 't schielijxt ons verraszen. O zaligh! die gereet Zijn komste weet te paszen!
X I. Die nu het aards versmaat, En Christi wil beleeft, Waar iszer schoonder staat Als hy verkoren heeft? Want boven al het zoet Van 't goddelijke leven; Zal God noch 't hooghste goet Tot een vergelding' geven.
X I I. Maar 't moeten Maaghden zijn Die, heiligh na Gods Wet, Van quaat en quaden schijn Haar houden onbesmet. Want lampen zonder licht, En onvercierde vaten, Hoe schoon voor elx gezicht, 't Kan voor den Heer niet baten.
Cookies on Poetry Cove