Zangh: Neemt my in der hand.
I. VAn d'oprechte rust, 't Alderzoetst der dingen Is mijn geest belust Om met vreugt te zingen. Wat hier tegen gaat Heb' ik niet verkoren; Want of haat of quaat Wraakt mijn tong' en ooren.
I I. 'K zing' wat ruste zy. Waarz' in is gelegen. En daar 't middel by
Hoeze wert verkregen. Rust in eenen schat, Die de aardsgezinden Op haar doornig padt Nimmer zullen vinden.
I I I. S' is verzelt met vreugt, Niet geteelt uit zonde; Maar die door de deugt Rust op wisse gronden. Zy ist die 't gemoet Van begeerlijkheden Niet regeeren doet, Anders als na reden.
I V. Hoe de zaken zijn; Zelfs in ramps genaken Blijft zy buiten pijn', Om geen anxt te maken. Maar zoo, door 't verstant, Onheil wert vernomen, Van de beste kant Zoekt zy 't voor te komen.
V. Want zy vlijd en voegt Haar na 't woort des Heeren; Des zy haar genoegt Hoe de dingen keeren. Zy is zelfs haar loon, Schoon haar God misdeelde;
Want zy is een troon Van vermaak en weelde.
V I. Waar 't verstant op ziet, Hoe volmaakt in d'oogen; Is de Rust 'er niet 't Zal niet duuren mogen. Wie, die dezen wegh, Voor hem klaar ziet open, Zoekt met overlegh Dien niet in te loopen?
V I I. Die der deugt betragt, Zonder zich te schromen Wie 't veracht of acht, Kan ter ruste komen. Maar die na zijn lust Leeft in veel gebreken, Kan van deze Rust Na haar aart niet spreken.
V I I I. Streef dan elk die wilt Na 't opregte leven: Want daar is de stilt' Maar alleen gegeven. Weet dat u geen quaat Noch haar aart magh lusten Zoo ghy ernstigh staat Na d'opregte ruste.
I X. Maar dat ghy, verzett Uit het oude leven, V aan Christus Wet Heel moet overgeven. Is het quaat dan doot En de deugt geboren, Geen gewelt hoe groot Kan uw ruste stooren.
X. Onheils oorzaak sterft Daar de zonden sterven. Die de deugde derft Moet de ruste derven. Zoekt de werelt door, Buiten 't godlijk leven; Wat zich ook doet voor, 't Zal geen ruste geven.
X I. Want noch staat noch eer, Schat, of 't geen zoo waard is, Geeft aan niemant meer Als het zelfs van aard is: Niets van 't aards bestaat; Zoo doet ook haar lust niet; 't Geen zoo ras vergaat Geeft het hert zijn rust niet.
X I I. Dus verkeert en blint Zukkelt menig mensche,
Die noit regt en vint Zijn begeert' en wenschen. Zoekt ghy rust en vreugt Vast, oprechte en veilig: Kiest den wegh der deugt En betreet die Heyligh.
Cookies on Poetry Cove