Zangh:
I. DE maght en moetwil doen veel quaat Als haar geen hooger magt bepaalt. Bevonden quaat veroorzaakt haat; Waarom meest elk zijn schae verhaalt. Zoo kanten lan-den tegen een. Des eenen toorne helpt terstont Des andren tegenweer te been, Dat heele vol-ken brengt te grond.
I I. Als nu die macht te zamen woelt Is yders woort een lasterwoort, 't Welk 't gram gemoet verzaat noch koelt, Maar kragtigh drijft tot wraak en moort. Laas! onrijp roepen baart geen vrugt. Wort stad of staat in 't hert' gestast, Of iemand vloekt of klaagt of zugt Dien last blijft al dien zelven last.
I I I. Men zegt het is der zonden schult Dat God zijn toorne druipen laat: Of draagt zijn straf dan met gedult Of staat volkomen af van 't quaat. Maar zijt met woorden niet voldaan: Want blijft ghy zondigh van gemoedt Hoe zal de roede van u gaan, Die door de zonde wert gevoedt?
I V. De oorzaak dan daar 't quaat uit vloeit Om welx der landen val genaakt, Moet eerst geheel zijn uitgeroeit En dan die grond weer nieuw gemaakt. Begeer dan vry een Honigvloet En wat ghy meer begeeren kunt: God is den goeden altijt goet, En loont den quaden met hun munt'.
V. God, die des Vorsten herte neigt
Waar hem zijn wijze wil begeert, Kan 't schikken, wie of wat ons dreigt, Dat niemants dreigen ons en deert. Alleen, op datmen my verstae, Dat Heilig' en oprechte deugt Met liefde en weldoen, vooren ga, Zoo kroont ons God met vrede en vreugt.
Cookies on Poetry Cove