Zangh: Spoeit vlughtigh vlugge voetjes, &c.
I. DIe eeuwigh hoopt te leven En, in dienst der zonden, Zich over heeft gegeven, Tot hy raakt ge - bon - den: Die is // gewis Verdwaalt // en maalt Zonder op te merken: Maar die het quaat Vol-
koomen laat, En oeffent goede werken, Mach door hope zich ver-ster-ken.
I I. Den zulken, door 't betrachten Van 't gebod des Heeren, Kan zich zeer qualijk wachten Andre zulx te leeren: En 't woort // brengt voort In 't hert // (verwert In de aardze zaaken) Afkeer en strijt, Lastring' en nijt, Die eer of rijkdom raaken, Ja ook 't leeven wel genaaken.
I I I. Indien hy nu stantvastigh Blijft in dat gevoelen, Onaangezien hoe lastigh Veel' daar over woelen: Dan wort // in 't kort Den haat // zoo quaat, Datze hem verstooten; En Christus kruis Komt hem dan t'huis, Na dat des weerelts grooten Over hem hebben beslooten.
I V. Doch die geen dans wil breken, Maar haar maakt te vaster; Mach openhertigh spreken Zonder iemants laster. Men weet // geen leet, Men ziet // ook niet Aan hem te versmaden. Elk prijst hem zeer, Ja vry wat meer, Dan of hy Godes paden Nauw beleefd', en nauw wouw raden.
V. O die hier vroom kan lijden, En zijn smaat kan dragen: Zal eens volmaakt verblijden In den dach der dagen, Wanneer // de Heer Alleen // die geen' Met zijn heil zal kroonen, Die hier versmaat, Vervolgt, gehaat, Als vreemdelingen woonen, En zich noch oprecht betoonen.
V I. Jesus, ons aller Heere, Quam door smert in vreugde. Dit dient tot troost en leere, Dat, die in de deugde Zijn tijt // verslijt, En dult // onschult,
Ook zal zijn verheven. Die God behaagt, In 't geen hy draagt, Die zal hy, na dit leven, Eeuwigh lust en ruste geven.
Cookies on Poetry Cove