Skip to content
1656

Zederymen

Anthony Jansen

Zangh:

I. DE grootste rust is in een wel vernoegt gemoet 't Welk, door de deught // opregt verheugt // vol wisse vreugt Bevint haar vriendlijk zoet. Al wat de Zonde baart is niet Dan quelling en verdriet. Waarom dan smert met smert gezocht Ja zoo

dier gekocht; En zich zelfs gestelt In des dwaasheits streng gewelt?

I I. O zoet vermaak ! die God en zijnen Zoon regt kent; 'tWelk is, als 't quaat // nu scherp gehaat // en, inder daat, De deugt is aangewent! O Bron der zaligheit en lust! O kostelijkke rust! Gelukkigh die dien wegh bemint Daar hy zulx op vint! Alle leet verdwijnt Wijl die Zon' zijn ziel beschijnt.

I I I. De wegh leit klaar. welaan die geern uw lust beleeft; De deugt is 't geen // als 't eenigst' een // die u alleen De lust en ruste geeft. Een rust die niet terstont vergaat Gelijk al d'aardze staat. Maar die, wanneer hier gaat tot niet Alles watmen ziet, Ons d'onsterffelijkheit Klaar en waar hier naar bereit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Zederymen · Anthony Jansen · Poetry Cove