Zangh.
O Ghy, die, veerdigh in 't verdoemen, Vws naastens eere werpt om veer, Hebt ghy met al geen liefde meer? Hoe kond ghy zulk een daad verbloemen? Wanneer de misslach ruchtbaar raakt Die uwen naasten heeft gemaakt; Al ist onnoozel overtreden, Ghy zult, ô droeve schandlijkheden! (Zo nijdigh is uw hert') Noch lacchen in zijn smert.
I I. Maar God, die ons zoo zeer beminde Zelf als wy, wrevligh van gemoet Zijn goetheit stieten mette voet, Die leert u ook, ô stekeblinde! Te zoeken uit een goeden gront Na 't geen u naasten maakt gezont. Indien ghy dit maar wilt betrachten, Zoo ruimt de smaat uit uw gedachten. Vw ziel wert haast gevrijd Van afkeer, haat en nijt.
I I I. Noch erger zijn zy die bevlecken Des vromen onbesproken faam, Met lasterschriften zonder naam, Vol leugenen en leelijk gekken. Ik denk, wanneer ik overmerk Met zedigheit zoo groven werk, De Godsdienst is in zulke mannen Of noit geweest, of uitgebannen. Geen Pestvyer is zoo quaat Als zulk verbastert zaat.
I V. 't Is wonder hoe des menschen boosheit Haar zoo oogschijnlijk blijken laat, In liefdeloosheit, smaat en haat, In bitterheit en goddeloosheit! Maar laas! de tijden zijn verkeert: Want vuilen laster triomfeert; En Leerzaamheit met vriendlijk spreken, Verandert in vileine streken.
Die stichten zou, die bijtt Of lastert oft verwijtt.
V. Maar zijt getroost al moet ghy lijden Der goddeloozen smaat en hoon: Des levens kroon is uwen loon, O vromen! na een weinig strijden, Wanneer den lastermont, gestopt, Van God in 't helsche vier geschopt; En ghy, verlost en hoogh verheven, Den lofzangh zingt in 't Eeuwigh leven. Getroost u met dit lot V toegeleit van God.
Cookies on Poetry Cove