Zangh: Mijnen geest voel ik my dringen.
LAat uw vreugdenzangen hooren, Volken weest verheugt: Want uw Heilant is geboren. Zingh en juigt van vreugt. Al zijt ghy door de zonden Van God ver' afgekeert: Vw middel is gevonden Indien ghy 't maar begeert.
I I. 't Zijn om geen geringe zaken Dat hy zich verklaart: Maar om yder los te maken Die hem voelt bezwaart. Hoe zeer, door quade wegen, De ziele is gewont: Hy heefter hulpe tegen Waar doorze wert gezont.
I I I. Och! hoe noodigh, om de waarheit Die verdonkert was Weer 't herstellen in zijn klaarheit, Quam hy wel te pas! Der deugd was schier gestorven: De boosheit gingh in zwangh De weerelt zoo bedorven Scheen aan den ondergangh.
I V. Driemaal vaardight God zijn booden Om zijn wijngaartloon: Maar ten laatsten laat hy nooden Door zijn lieven Zoon. De boosheit heeft Gods knechten Met smaat en leet betaelt: Des wert hun wel ten rechten Den wijnbergh afgehaalt.
V. Driemaal wierd' onnut bevonden 's Heeren vygeboom: Waar op zijn' Propheten monden
Hoe vol kracht, hoe vroom, Noit vrugten deden groeyen. Waer toe den Boom gespaart? Men dient hem uit te roeyen Als van te quaden aart.
V I. Maar den Heer, zeer goedertieren, Schenkt zijn waardigh pant, Om door wijsheit weer te stieren Alles in zijn stant. Zijn macht kan 't volk bekeeren En eeren doen 't gebodt: Zijn voorbeelt kan haar leeren En brengen voorts tot God.
V I I. Doch zijn klein en nedrig wezen Schrikke niemant af: Aardze glory wast voor dezen Die de Heere gaf. Maar nu is Mozes henen En Salomon niet meer. En Christus is verschenen Met een volmaakter leer'.
V I I I. Pracht en aanzien, hoogh verheven, Kon, om haar geniet, Oorzaak van beminnen geven, Daar meest elk op ziet. Maar nu Gods Zoon verschooven Bespot wert en versmaat,
Zal niemant hem gelooven Als die zijn ampt verstaat.
I X. Die hem in zijn aart beminnen Hoeven roem noch pracht: Want haar ooge ziet na binnen Op een hooger macht. Die nedrig leit gebogen Voor zijn ootmoedigheit, Erkent zijn groot vermogen En achtbre Majesteit.
X. Jesus heeft de pracht veroordeelt; Om te doen verstaan Dat wy mede na zijn voorbeelt Nedrigh moeten gaan: Om van de aardze zaaken, Door hoovaardy geport, Geen groote zaak te maken, En blijven hier te kort.
X I. Maar die pronken en braveren, Toonen geen vermaak Inde nedrigheit des Heeren, Als zoo waarden zaak. Haar tong magh heerlijck prijzen En roemen op dien staat; Maar 't leven zal bewijzen Dat zulx niet diep en gaat.
Moetmen spot en laster dragen Alsmen door de deugd, Godt in kleinheit wil behagen, Och! dit 's stof van vreugt: 't Kint Jezus wert een Kooningh Vol groote heerlijkheit: Hier na zal ook die wooningh Zijn kleinen zijn bereit.
Cookies on Poetry Cove