Zangh: Het Nachtegaaltje kleine, Of: Voor alle menschen kinders.
HOe vrolijk, en vol le-ven, Door 't albezielend goed, Is elk nu in zijn aart! Wat heeft God al gegeven, Uit miltheits o-vervloet, Hoe wijs, hoe wel gepaart! Hy heeft geopenbaart Zijn Godlijk groot vermogen, Zoo wijd en on-be-
paalt, Den sterffelijken oogen Waar op zijn aanschijn straalt.
I I. De bloemen en de boomen, De kruiden en de blaan, De klaver in de wey; Den snellen loop der stroomen Die nimmer stil mach staan; Den Schepzlen veelderley, 't Is alles deur de Mey Vervrolijkt en verrezen; De sneeuw is uit 'et velt, En al 't aanminnigh wezen Is vriendelijk herstelt.
I I I. De Zon', die, door haar stralen, De nevlen doet vergaan, En aangroeit in haar kracht; Komt met Gods werken pralen, Die niemant zou verstaan Waar 't Eeuwigh middernacht. Nu wekt zy ons gedacht', Door 't zien der heerlijkheden, Ten Hemel, en verbint Ons geerne aan de zeden Die God zoo zeer bemint.
I V. Aenziet zoo menig wonder, En hef u uit het stof, O mensch! en klimt al voort; Elk schepsel in 't byzonder Roept uit des Heeren lof, En galmt een spraakloos woort, Vol roem 't welk yder hoort. Let scherp op zijn gebooden, Zijn roem is noch al meer; Want namaals uit den dooden Verschijnt zijn meeste Eer':
V. Wanneer de dood verslonden, En 't Hemels Paradijs, De stad van blinkend goud, (Voor 's werelts stank en zonden) Als d'opgehangen prijs, U werden zal vertrouwt. O sterflijk mensch aanschouwt Jeruzalem hier boven, De plaatz' die God bewaart Voor die zijn naam gelooven, En volgen zijnen aart. EIND.
Cookies on Poetry Cove