Prince.
Den Prince alderhoogst, een vrede Vorst verheven,
Heeft ons den vreed' gebracht door veel kloecke verstanden,
Maer door 'tvernufts gerel in vreed' wordt vreed' verdreven,
So dat d'inlandtsche vreed' door onvreed' komt te schanden:
Die onvre die nu bloeyt, drijftmen weer uyt de Landen,
Door aflaet vande sond', daer den eendracht uyt rijst,
Door het gebedt tot Godt opheffend heyl'ge handen,
Die het vreed-lievend' hart met allen zegen spijst,
Dan die den vreed' misbruyckt, sijn Naest' onvree bewijst,
Sal inden tooren Gods vergaen met goedt en vee.
Datmen in vredes tijt onvreed' soeckt waert begrijst,
Blijckt nu hier over al in't wyde en in't bree.
Dus baert onvrede vree, en vrede vveer onvree.
Met soetigheyt meer.
Weldoen verblijdt.