Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

Vijfde vvtcomen.

Gebiedende Mensch. Vraghe.VVat middel dat best dient ghenomen byder hant, Die 'tGemeen nodichst is, en vorderlixt voor't Landt. Nu Wijsheyt voor mijn want uyt al u gouwe lesse. Ick weet, en ick weet wel, ô Hemelsche voochdesse, Dat ghy 'tvermogen hebt, laet u jonst niet ontbreecken. En ghy Waerheyt, die zijt het blijtste Hemel teken, Versteken wilt my niet van u slot-reden krachtich. Wijsheyt Mits dien u iver tot dit Vader-landt streckt machtich,

Andachtich hoort en leert dat onder 'tnutst en best, Om geluckzalich te regeren haer gevest Is van heym'lijck bestaen, voorzichtich te bevryen. Waerheyt. So lagen als bedroch zjn niet wel om bestryen, De vyant die-men minst acht werckt het meeste leet. Vervloeckte eevel waert dat u de Helle heet In haer gloeyenden Poel onverteerlijck verteerde. Wijsheyt. De zwarte haet dient oock wel dat sy van haer keerde, 'tSy dat die hooch of laech, geest'lick of waerlick bijt. Waerheyt. Gheen sterckte is so sterck, die onder haer niet slijt, Spijt rijckdom end' haer macht verscheurt sy 'sLandts welvaren, Noch meer, wanneer sy haer so veer derf openbaren, Dat sy 'thoochste gebiet afgunstich dreycht en druckt. Wijsheyt Verachting op dat haer van dees pry niet misluckt, Moet sy of wel gejuckt, of in ballingschap houwen. Waerheyt. Gheen erger pest voor't landt, geen erger pest in trouwen, Dan dat het gemeen volck van Godts verkoren hoofden Met lichtveerdigheyt of yet vuyls, of vals geloofden; Die sy om dat sy Godt en de justicy dienen Met Ziel en Lijf, met goet en bloet horen te mienen. Verlienen wilt haer Heer (die zo zijn) ander zinnen. En u Stadthouders 'thert met moet ontsteken binnen, Om haer ontfangen macht godtvruchtich uyt te voeren, Men moet de schoot te met ruymen, te met insnoeren, Onachtbaer ist gebiet daermen als Vrouwen heerst. Tweevoudich schaden sy, haer self, en op het seerst 'tGhemeen, die van't ontsich haer ingezeten blooten: Want zo gering als de eerbieding wert verstooten, Isser voorts oorlof om sonder straf te verbeuren: Scherpzinnich brocht Fronto dit Nervae eens te veuren, Seggend' het was wel quaet te hebben zulcken Prins, Onder wien yets te doen niemant vermocht geensins: Maer noch arger, te staen onder alzulcken Heer, Die gedoocht dat elck sijn qua wil doet en begeer. Veer zy hier van mijn tong het vleyen en pluymstrijcken. Wijsheyt Dit behaechlijcke quaet moet sy als de pest wijcken, Rijcken en Landen doon menschen van deze seckt. Waerheyt Daer is niet dat een wont so soet en zacht'lijck steckt,

Als dees' bestreecke vin, en slachvlijm sonder punt. Ghy die met achterklap en wapens schaden kunt Vermeucht niet dat sy doet. Sy gelijckt een sprinckhaen, Die d'acker-vrucht verslint. Alst Byken 'twelck draecht aen Die heunich in sijn mont, met sijn angel bezwaert, Even een Schorpioen is sy van zulcken aert. Anthistenes verklaert datmen nutter vervalt In zwarte Ravens, als in pluymstrijckers vergalt; Mits sy d'ogen den dóón, dees' de levend' uytbyten. Gebiedende Mensch. Datmen dit gedrocht moet uythessen en versmyten, Na u dappere leer, en dees' vermaning stellen, Onder 'tnutst en 'tbest datmen op dees vraech kan mellen, So veel mijn oordeel duyt, hebt ghy tot hier geleert Ick hoop met mening dat als dees' dorschvloer geeert, Gekeert sal zijn van't vuyl zaet ghy daer't schoon in stort. Besluyt vriendinnen dan, besluyt bondich en kort, Maeckt u wil als u macht, u ijver als u konst. Wijsheyt 'Tgeschiet Gebiedend' mensch, 'tgeschiet op't alderronst. Maer och of gesonst ons antwoort op dees feest, Int zin-rijcke gemoet mocht wezen van dees geest, Die d'Akerboom beschermt, by wien men Aensiet Liefd'. Hoort ghy? Gebiedende Mensch Ick hoor. Waerheyt Hoort scherp. Wijsheyt 'tEg'lentiertgen verbrieft, Voor middel die best dient ghenomen byder hant, So 't Gemeen nodichst, als oock vorderlixt voort Lant: Antwoort'tInnich aenroepen Godts met vromicheyt int velt, Alsmen te vechten heeft, t'huys met eendracht verselt. Stelt u tot het bericht datmen u zal vertogen. Waerheyt. Die Davidt die ghy daer ziet leggen voor u oogen, Heeft zo gedaen, wanneer hy riep, u oordeel Godt Den Coninck geeft. Sijn Soon Salomon sonder spot Heeft hem gevolcht als hy riep, geeft mijn wijsheyt Heer. Voecht dit de grote wel, het voecht de kleyne meer, Te eer mits Godt sticht en onderhout alle staten.

En hy (gelijckerwijs men Daniel hoort praten) Verandert tijt en eeuw, ja verstelt 'swerelts rijcken. Gebiedende Mensch Lof wijsheyt. Wijsheyt Vromigheyts nut en noot sal oock blijcken, Alsmen wel overleyt deze voetstormers deugd. Die heerst en gehoorzaemt zijn bey door haer verheucht, Veylich en vol geneucht ist lant daer sy voor strijt. Waerheyt Sy dwingt my dat ick hier met Tullio uyt krijt, Leeft eedel krijsch-gebruyck tot ontelbare jaren. D'acker leyt ongeploecht, de Zee blijft onbevaren, De koopmanschap staet stil, als ghy den vyant schroomt, Als ghy de Trommel rept, de Trompet blaest, 'tPaert toomt, En 'tongemeten velt beslaet met u Soldaten, Vintmen dees Bataviers vry wat beter gelaten. Vaten gaen hier elck een heul in u vroom bestaen. Gebiedende Mensch. Danck Waerheyt. VVijsheyt En nu komt op eendracht mijn vermaen, Die 'thuys (dat's binnen 'slandts) de nodichst is van allen. VVaerheydt Verwoesten moet het rijck, en tot de gront vervallen, Dat in zich self gedeylt wert in verscheyden deelen. Gebiedende Mensch. Maer dat sulcx niet geschiet? VVijsheyt Sullen wy u niet heelen, Hoe ghy haer wint en hout. Ghebiedende Mensch. Hoe doch? VVaerheyt Door trouw exempel Van u zachtmoedigheyt dat int volck rou en sempel, Gewilligheyt eerst, dan authoriteyt sal baren. Dees' Schipper en Piloot hebbende derft benaren Wat ondiep het oock zy. Weest niet beducht voor stranden, So nutst als nodichst zijn dees' twe voor alle Landen; Om dat ghy 'tvolck behaecht is u werck aengenaem, En om dat ghy vermeucht krijcht ghy een eewich faem: Tsaem wensch ick haer in d'een als d'anders hert te wonen. Gebiedende Mensch.

En ick ô Wijsheyt en Waerheyt bey waert om kronen, IN LIEFD' BLOEYEND' bidt Godt met kort en heete bee, Hy zeghent 'tNeerlant, en haer volck met vaste vree.

FINIS. In Liefd' bloeyende.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove