Soetermeer tot Vlardingh.
O Vlaerding out en kloeck // u welkoom wy aenhoren
Met een danckbarich hert // van u die Aensiet Liefd';
Verdreven is ons smart // want vreuchd' wert hier gebrieft.
Wy volgen dijn verzoeck // om meed' na konst te sporen.
Met soetheyd meer moet zijn // al 'tdoen tot 'skonsts orboren,
Vervreemt van alle nijt // want vreed' elck best gerieft:
Eendrachtich zonder spijt // niemant moet zijn misschieft,
Op dat konsts-reden fijn // van elck mach komen voren.
Den slechten niet veracht, noch die in konst zijn teer,
Ghy Vlaerdingen oudt, 'tis vrundelijck ons begeer,
Wilt niet als Momus doet, op kleyn gebreecxkens mercken.
Acht op d'zin end' besluyt, en oordeelt met verstandt;
Stoot niet den teeren uyt, maer biedt hem doch de handt,
So sullen welkoom zijn ons alderslechtste wercken.
Met soetigheydt meer