3. Handelinge, 2 uytkomste.
Eendracht.
VVAT groot gewelt, wat last (elaes!) my overvalt,
Ontnomen is my nu het steunsel van mijn leven:
Mijn Lichaem is verzwackt, al myne leden beven:
Ick heb niet so veel machts dat ick mijn pylen bind',
En daer beneven ziet dees twe die ick bevin'
byna gebroken heel, zijn vande beste mede,
Gerustheyt des gemoets, daer by der Kercken vrede:
Hoe soude d'eendracht doch in eenich Landt bestaen,
Daer sulcke pylen twe uyt haer gebonsel gaen,
En sonder my het Landt te niete moet geraken.