Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

Beelden van 'tSpel.

Redenrijck.Deuchde.Vreuchde.Kennis. Momus.Mydas.Pan. Aensiet Liefd'. Choor. Akerboom.

Redenrijck. NV vind ick waar te zijn, al wat de Wyse Ouden Van de ghemeene rust ons hebben voor ghehouden: Sy seyden Vrede gaf wel driederieye Vreucht, En teelden anders niet dan uytnemende Deucht, Die uyt der Natuur wil het nutte en 'tvermaack'lijck, Dat tot tghemeene best is noodich en nootsaack'lijck: Daar de kunsten lofbaar, de redelijcke zeen Eendrachticheden sterck, de de Deuchden in 'tghemeen Wt spruyten als een Vloedt; die met haar vochticheden, De Aarde vruchtbaar maackt met dorheyt te vertreden, En al hadt al het hayr der Wysen overoudt, Dit toestemt en gestelt in Tafelen van Goudt, 'tGheloof en souw in mijn nimmer hebben ghecomen, Had de bevindingh mijn 'tongheloof niet benomen, Ick hielet voor een spreuck (in Egypten ghedroomt) Die met des Waerheyts glantz waarschijnlijck was verbloomt Vant menschelijck vernuft; dat met zijn kloecke botzen Des Hemels kloeckheyt self wel soude derren trotzen, Tot dat de Boodin van de langh verwachte Vree, Het bloedich Sweert van Mars quam steecken inde schee, En hem ketende vast aan 'twaelef ronde Jaren, Op dat zijn gramen moedt eens mochte wat bedaren

Over het Nederlandt, dat hy dul en verwoedt, Ruym veertich Jaren heeft ghestelt in Vuyr en Bloedt, Insonder over 'tLandt, dat een trosje van Pylen, Gheknoopt met de Eendracht, in zynen Schilt somwylen, Tot verwinteecken voert: 'tLandt dat sich maeckte vry, Met zijn Goedt, met zijn Bloedt, van Spaensche slaverny: 'tLandt daer de wetenschap, en kunsten overvloedich, Begraven laghen diep, inde ghemoederen moedich, Door 'tnoestich Oreloch: Alwaer de sinnen nuw, Sy voelen veylicheyt, des Oorloghs Oogst zijn schuw, En bet gheslepen zijn op wetenheyt ervaren, Als zy hen daghen oyt in Krijchs-oeffeningh waren: Nochtans en heeft niemandt, hoe dapper en hoe koen, In de Krijchs-oeffeningh en vromicheyt van doen, Haer erghent overtreft: Want 'troemich Volck van Romen Die roemen dat deur haer alle des Werelts Vromen, Ter neder zijn ghevelt, zijn zelver neer gheleyt Van dit vereende Landt, door 'tNasousche beleyt. Men seyt dat Mars verwoedt en Hercules den stercken, Van schaamte deckte haer, als sy de vrome wercken Van't Neerlant saghen aen, sy en derrefden 'thooft, Niet steecken voor den dach; van spijt en schaemt bedrooft, Vermomden sy haer heel, so seer haten sy 'tlichte, Om dat de duysterheyt haer doen van kleyn ghewichte, Immer bedecken sou: heur doen leeck Kinder-spel, In heur luy grimmich Ooch, by 'tNederlandts voorstel. 'tIs ghegaen met dees twee als met d'Wijsheyts Goddinne, Doen Areachne haer int weven kost verwinnen; De spijt terchden haer vast tot onverdiende wraeck, De bloode schaemt socht hulp, aen d'achter kael oorsaeck: Maer vreese voor verlies en dorstet hooft niet bieden, Noch steecken voor den dach: de naem van Neerlandts Lieden Had alsulck een ontsach in dees ghemoeden vroom, Als die maer wiert ghenoemt, bevingh haer blooheyt loom. Sy sloten t'saem een raadt, en zijn daer nae gheklommen, Na Jupijns gulde Saal, als zy daar zijn ghecommen, Grinnickten al de Goon, sy saghen wonder aan, Dees bemantelde twee, 'twas waar komt dit van daan? Hercules heeft gheen Knodd', en Mars en heeft gheen Swaarde, Hoe na heeft Tydeus Soon, of sulcken vroom vermaarde Deftighen Krygher haar benomen het Gheweer; Maer Momus wister af: Want hy haddet van veer Staen sien met zijn scheef oogh; hy riep met luyder kelen, Mars heeft zijn Swaart verset, met al zijn Krijchs-juwelen, In Vlaend'ren by Oostendt; en Hercules met schandt, Ghelaten zyne Knod, van armoe by de strandt

Van Gibralter, O spijt! noch op de selfde Stede, Daer hy van syne vroomt twee hoochten maken dede: Sy gaven gheen antwoort, als recht ten raeckt ons niet; Het herte vol van spijt verberchde het verdriet: Sy knielden voor Jupijn, en seyden siet u Sonen, O Vader doch eens aan, de Volcken die daar wonen Int neerst van Belgia, die vellen ons ter neer, En roven onse kroon van vromicheyt en eer, So ghy haer niet by tijdts met u Blixem en Donder En verslaat; och! maalt haar tot gruys en brenghtse onder: Sy sullen met het Volck van Numas dul verwoet Den Hemel op een nieuw bevechten door hoochmoet. Jupijn wierdt lacchend' om de klachten van zijn Kinder, En sprack zijt ghy te vreen, zy en doen my gheen hinder: Dat zy wenden te voor dat is des Hemels schick, Den Hemel vecht met haar, den Hemel nochte ick Will'n dees Deuchd-ridders niet, om dats u overtreffen, In vromicheyt en deucht, verdelghen op u keffen: Daer zy stryden (uyt liefd') voor 'tlieve Vaderlandt, En ghy uyt korsien moet, voecht u uyt onverstant Op de zy van een hoop Nacht-gheesten, duysterlinghen, En Maraans vreemt ghespoock, die met onrecht en dwinghen, Het gantsche Wereldts rond' soecken te slocken in, War teghen ick verweck dit vereende Ghesin, Om die Dwinghlanden wreedt, en Landt-slockende Vraten, Te straffen van moetwil, en hooghen moet verwaten, Daer sy op leunen trots, alleenlijck om 'tbehout, Der Vromen machteloos, en onnos'len eenvout: En heeft mijn Volck dus langh met u twee al te wreden, In Water, Sweet en Bloedt, om de Vryheyt ghestreden: Ick wil haer vryen lust, en langh verhoopten rust Niet langher teghenstaan, maer versaan haren lust, Voor de ghedaan weldaadt, en sware moeyt ghevaarlijck: En u weerloose twee sal ick doen vet'ren swaarlijck, In u Groot-vaders Huys; toeghewijdt de Eendracht; En u bloetdorst'ghen sleep, van Borgoensche Boef-jacht, Wil ick doen muyten op teghen haar over-Heeren, Om 'tGenuasche Munt, dat langh heeft gaan falgeren, In al te swaar onkost, met 'tOorlochs Beest verspilt. Hier mede sweech Jupijn, daer quam een groote stilt Over d'onvrege aard', men sach strack de ghemoeden Staan na ghemeenen rust, en walghen van het woeden. Voor d'Afgonst quam de Jonst, de Liefde voor den Haat, De Herten sochten Vree, 'sLandts Vaders sochten Raadt, Tot datter het stiltstandt van Wapen werdt ghesloten, Daar dees wel lieven tijdt van vreucht uyt is ghesproten.

De Wijsheyts Goddin met haer Vrederijcke Spruyt, Den kunstighen Apoll' met zijn spelende Luyt, Die 'tOorloch hier en daar, in hoecken hadt verdreven, En by nae af ghesneen het eynde van haar leven, En derrefden het hooft niet steecken voor den dach, Van 'tbalcken van 'tGheschut, en vanden Trommel-slach, Die quamen onbeschreumt het hooft inde Lucht beuren, En de vergulde Stof haar herten brenghen veuren. O Vree! Heylighe Vree! O noodighe Goddin! Des Hemels en der Aardt, die van Eendracht en Min Te samen zijt gheset: Daar zijn in neghen Jaren, Dat u Bodin 'tBestandt, u smaack quam openbaren, Al meer Wysen gheteelt, in 'tmisnoemt bot Hollandt, Dan inden gantschen tijdt des Oorlochs, voor 'tBestandt? Men siet nu in Hollandt het Volck leeft onbekommert, Van Oorlochs vlijt en sorch, en van noot onbeslommert, Dat Wijsheyt groeyt en bloeyt in sulcken overvloet, Als 'twater in de Maes op de Springh-vloeden doet. Daars nau een Vleck soo kleyn 'theeft Wysen en Poëten De Steden zijn doorgaens van ervaren beseten: Het Landt dat krielt en kroelt van Boecken en Papier, Vol Gheschrifts en vol Kunsts, des Vollex sin is hier, Soo zeer verleckert op de kennisse der dinghen, Die met des Wijsheyts kauw het vreuchdich kan voortbringen, Dat sy'er kost noch moeyt aen sparen noch ontsien: De vracke Giericheyt, die kosten doet verbien, Verbiedt den Yver niet: Noch 'tmoeyelijcke leeren, Verbiedt hier gheenen Lust van 'tvlytighe studeeren. 't Stijcht hier al naer Parnas, of 'tloopt nae Hypocreen; Daer en is niet eer rust, sy hebbent bey of een. ‘O Herten vol van ernst! O deuchdelijcke Sinnen! O Hoofden vol vernufts! O Hemels goet beminnen!’ Ghy doet u Vaderlandt verheffen inde Lucht, En maacket onsterff'lijck van loffelijck gherucht. Voorwaar Atheen en heeft met alle haer Gheleerden Griecken soo veel ghedaan; al heeftmen op der eerden Ghekreten, dat sy heeft gantsch Griecken-landt bekleet Met een eeuwighen naam, die Griecksche Wijsheydt heet; Nochtans en sal haar roem doorluchtich hier niet blyven: Sy is al vaal en loof door 'tbekennent bedryven Des Hollanders ghemaeckt: Doch om des Wijsheyts Vin Blijft Athenen den naem, en Hollandt het ghewin, Soo dat nu weder is de Goude Eeuw ghekomen, Van onghekreuckte Deucht en Wijsheyt uytghenomen, Die d'Ouden seyden dat voor haar langh was vergaan, Waar in ick uyt mijn As, nu soo ben opghestaan,

Dat ick t'elcke op 'tspits van dubbel top moet sitten, Daar mijn Dienaers omgaent, van eeren prijs doet witten, Met Pylen vol verstandts; soo, soo ghemoeden soo, Ontwentmen Oorloghs lust, en 'tbestants vreets voorboo, Wort eenen vasten Vree, dats den wech om van eeren, Door 'twyde Wereldts rondt te sweven en te keeren. Dus leeftmen na zijn doodt: dus maacktmen sich onsterff'lijck, Dus ismen 'twitte Huys der Goden eeuwich erff'lijck. Wel zijn de mynen dan, die uyt Liefde en Lust, Op aansiet Liefds voorstel, van Landts wel-vaart en rust, Haer mildt ghegheven Pondt niet en hebben begraven In Traacheyts ledich Graf, maar deur 'tkunstighe slaven Nu hebben aanghewent de middelen en den raadt Van het ghemeene best, Landts Volcken en Landts staat. Mijn Schryver veracht aar, die u met hayr en veeren Van den Pegaschen Heynst kostelijck keunt stoffeeren. Wat dunckt u, waert niet recht dat ghy naamt in de vuyst, De Penn' daar ghy mijn Volck soo lelijck me begruyst Wt wanen ('twelck bedriecht) en wreeft deur 'tonvolkomen Dat ghy van haer dus schrijft, niet slachtende den lomen, Daar Nederlandt van waacht, en die nu (maar t'onrecht) De Reden-rijckers bent, en Rymers zijn ghesecht? Een Volck dat veeltijdt is ontbloot van alle reden, Onmatich, onbesuyst, wanschapen, onbesneden, In Treur-spels bly van sin, en weer oubollich gram Hebt ghy haar al ghetoetst, dat ghy dus vuyr en vlam Wt smytet; dochde daad' ginght op haar vroomte schrappen: Sy wist haar wetenschap, en sach u eyghenschappen. Vervoeght dan van haer doen, ghy bent heur niet te groot, Soo g'immer niet en wilt steeckt mijn in haer niet doot. De wyse Overheyt, de Rymers en Reed'naren Van dese oude stadt, die gheen kost wilde sparen Aen het ghemeene best; maar sorchvuldich beducht Voor 'tlieve Vaderlandt door mijn vreed'rijcke vrucht; Nu hebben aanghewendt behulpen ende raden Om door gheschickte tucht te smaecken de weldaden, Zy der glorien kroon en milde danckbaarheyt Wt 'tvierighe ghemoedt van my nu toegheleydt, My die van haar gheschiedt in dees wel lieve tyden, Der Deuchden wel te doen, der Vreuchden slapen blyde, Wil levende ghedaant, van Klim en Lauwer Lof, Gaan lesen uyt Parnas het Vlaardinghes Reden-Hof. Deuchde. Ick Deuchde die den wech zy tot 'topperste goet, Een Dochter van weldoen,die 'tHemelsch wesen baarden Wt 'talscheppende goedt, daar 'tgoedt uyt werdt ghebroedt;

Dat de goedt-soeckers leydt tot goedt, dat is van waarden, Doen den bloedighen Krijch gedwongen wiert zijn Swaarden, Van nyeghe bitterheyt te steecken inde Schee, Quam mijn begheerden sleep, en ick betreen de aarden, En sullent doen so langh de Landen hebben Vree: Maer so vervloeckte twist de Swaarden bot van snee Gheworden door 'tbestandt, pordt uyt de Scheen te trecken, Stellen wy't op der loop, nae ons oude woonstee, Den Hemel daer wy eerst uyt quamen 'tgoedt ontdecken. En indien het Bestandt een Vreede kan verwecken, Begheven wy 'thier niet, maer blyven in het Landt, En sullen ons ghenot doen voelen en uytstrecken: So langh de Vrede duert, sal dueren ons bystant. Ghy Volcken blijft dan op d'alghemeynen rust ooghen, Ghelijck als ghy noch doet, en laet u leen van mijn, De Kennis zy u wech, de Vreucht u wel ghenooghen, De Ruste die ghy soeckt sal in u woonich zijn. En ghy mijn gheselschap, met mijn nu uyt ghetoghen, Deur-vrolijckt 'tvrege Landt, en hanght de Herten aan, Met uwe luwt en smaeck, voor de moeyte verdroghen, Sal ick haar ruste veyl, en vryheyt doen ontfaan. Nu aanghename Vreucht, bevallich en vermaak'lijck: Treedt het Volck onder tooch; valt aan, slaat op de Luyt. Nu Kennis die wel weet, wat en waar 'tis noodtsaack'lijck, Set de stem na den thoon, recht mynen wille uyt.

Vreuchde singht:

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove