Gebiedende Mensch. VErmits dat mijn verzoeck zo nodich is als eerlijck, (Mijn stoutheyt sy verschoont) ben ick op u begeerlijck Ervare Mannen, die kittich all's hebt doorcropen, Dat ghy de sluysen van u wetenheyt doet open, En bedouwt mijn uyt jonst met kennis alder dingen, Die de stant van't gemeen belangen; sonderlingen Wat d'outheyt daer af leert, Wat de History schrijft, Wat de Poët versiert, Wat in geheuchnis blijft; Ghy kunt weygert het niet, ghy kunt het licht vertellen. Letterlijcke kennis Om dat ghy met meer vlijt nae't gemeen nut sout hellen, Met Africano hoort, het gheen hem is geseyt Van Tullio, 'swerelts hooft in de welsprekentheyt. So wie sijn Vaderlandt, beschermt, behelpt, vermeert, Wert met gewisse plaets in d'Hemelen vereert, Int blygeestich getal der wel verhuysde Zielen. Onder de dingen die Godt immer wel gevielen, Is de gemeenzaemheyt der menschen hier beneen, Gevallich in sijn oogh. Wanneer dan van hier scheen De Vaders vant Gemeen, treen sy ten hemel binnen. Gebiedende Mensch. O overgrote loon, ô loon quaet om gewinnen: Quaet om gewinnen, niet om dat ghy goe Godt dit weygert: Maer dat ons sotte lust nae't aertsch kruypt, en niet steygert Nae't eeuwich duirich goet, dat was, is, en sal blyven. Maer wilt mijn de manier en middel doch beschryven, Die meest beklyven doet dit soete Vaderlant. Lang ervarentheyt. Wanneer de deucht in haer met wijsheyt blijft geplant, So zal heel triumphant dit burger wesen, wesen. Letterlijcke kennis. De deucht ist eygen goet van de mensch, so wy lesen. Al dat mensch'lijck is, slijt. Schoonheyt is vals en kranck. In rijckdom is geen heyl. Gesontheyt ruymt met stanck. Onbeweecht blijft de deucht en wisselt tot geen tyen. Onsterffelijck is sy int sterflijck, nae't belyen Van Seneca. Met recht ist haer dan onderdaen Wat de mensch hier bevaert, beploecht, bout, en neemt aen: Want al dit is in haer, en 'twert hen toegeveucht, Die int binnenste van sijn ziel herbercht de deucht. Sy komt van zelfs tot u. Sy stort haer in u zelven. Sy is niet vreemt van u. Sy kan noch wil bedelven
Haer troostelijcke licht, maer fonckert in u hert Met haer aengenaem vier, en doot 'tquaets soete smert. Die haer niet volgen maeckt sy haer sichtbaer uyt liefdt, Die hen zelfs waerdich hout van haer te zijn doorgrieft, Doorwont sy sonder wont, en rimpelich litteken. Laet haer dan u deel zijn, met ziel en lijf wilt steken Na haer die veylich maeckt, en gerust door haer kracht. De heerschende Fortuyn heeft over alles macht Behalven haer. 'tEllendt jegens de deucht haer stelt, Gelijck de zwerte mist, de hittige zon quelt, En schadeloos bewelt sy tot sy wert opgegeten. Gebiedende Mensch Ick volch haer, en u raet, wilt ghy mijn voorts uytmeten Wat neffens haer best dient, en wat ghy nootlicxt acht. Lang ervarentheyt. Godtvruchtigheyt, die meest stut al't menschelijck geslacht, Die van Godt leert te recht gevoelen, en hem dienen. Alle Rijcken des werelts hebben yet willen mienen Van dese mogentheyt, hoe veel ghy dan te meer, Die buyten waan belijt drie personen een Heer, Na kennis van die macht behoort een mensch te trachten, So veel de zwackheyt lijt van sijn losse gedachten: En te meer want geen eeuw, geen mensch sulcx heeft ontseyt. Soeckt ghy Getuygen, hoort wat d'History verspreyt, Godvruchtigheyt begint daermen van Godt wel duydt. Maeckt dan sijn naem bekent, bromt die uyt overluyt, 'tVorder in u besluyt, en denckt met wat gevaer Datmen van Godt hier spreeckt, al is duysent fout waer; Wiens kennis is by haer, die hem minst kennend kennen. Nu cluystert u mijn mont, mijn tong zwicht, want wy bennen Tot dit voorstel te licht: roept maer om u t'ontladen, Dat de menschen daerom vallen in alle quaden, Mits sy 'tgeen godlick is niet soeken te begrypen: Doch met gematigheyt. Wat anders seylt moet gypen, Mits aenmacht van verstant en lasterlijcke waen. Men kan so heylich en eerbiedich niet verstaen, Der Goden daden, alsmen die wel mach geloven. Hout de Godtvruchtigheyt de handt dan altijt boven, So int gevoelen als int plegen van Godtsdienst. Set haer op d'eerste plaets: maeckt haer d'aldergesienst. Volcht het gezont gezeg van ongezonde Zielen, Als Heydens by u zijn, die oyt meer van haer hielen Als eenich ander ding: en met reen, want het leven Bestaet door haer: Over al de Werelt is gebleven Haer ontsich en gebiet: Over al viertmen haer. Sy beweecht ijder een. Dat het kint van sijn vaer,
Van dees ontfangen heeft, tracht het wel t'onderhouwen: En met ijver, vermits het meent ter goeder trouwen Dat niemant hen ghelijck is in dit Godlijck plegen. Dit doet hen Liefd' en geen reden dus over wegen. Genegen, waer ick u meer van haer te berechten, Doch haer nootwendigheyt, sal ick hier me beslechten, Dat alle geluck volcht de Dienaers die haer bouwen; Haer haters alle quaet: En met Plato ontfouwen, Dat het gevaerlijck is te veel van haer te spreken. Gebiedende Mensch. 'Trijck met Godtvruchtigheyt en deughd zijnde besteken, Ist dan van als versorcht? geeft dees' boom geen aar vruchten? Letterlijcke kennis. Ist niet van als versorcht, 'thoeft in als niet te duchten: De vruchten makent sterck; weerbaer, weelich, gezont. Gebiedende Mensch. Welck en hoe veel zijn die? Lang ervarentheyt. Twe. Godes schicking ront, En conscienty, 'tpont wegende van elcx hert. Door d'eerst is alle ding. Gheen ding verandert wert, Al smyten dat schoon vert veel lichtvaerdige hoofden. Gebiedende Mensch Maer wat gewart haer die sulcx oyt te veel geloofden? En dies niet sloofden? want dees' schicking alles schickt. Letterlijcke kennis Een droeve uytkomst: want die sotheyt so bestickt, Dat hy weygert de wech in te gaen tot dit nootlick, En dat uyt nootlickheyt, misbruyckt dees' schicking grootlick, Versoeckt ghy blootlijck, Godts segen arbeyt mee. Het vrouwelijck gesucht, en wenschen streckt geen bee By Goden, haer bystant volcht geen ijdele woorden. Die waken, en weldoen, haer hulp veel eer bespoorden: Alle ding is by haer, maer, om arbeyt te koop. Verwacht ghy het geluck leech zijnd', 'tis buyten hoop: De stoutste stercken sy. Om u, noch niemants praten Sullen sy d'Hemelen en haer geselschap laten. Baten, moet ghy u self, en by u nemen in, Met danckbaerheyt, die sy u geven, dese zin. En dit van dies genoech. Dit wonder waert om soeken, Maer by 'smenschen vernuft onmoogh'lijck t'ondercloecken. Onsichtbaer is een geest, onkenbaer is sijn doen. Wilt ghy datmen u hier voor een vroom man bevroen? Dees schicking volcht, leert, eert, zo de'en eertijts de vromen. Dat van de Goden komt wert nootlijck wel genomen. 'tGeen van de vyant schiet, moetmen manlijck verdragen. De meeste raet in sulck geval, is niet te clagen.
Behagen kont ghy haer lyend', weerspannich niet. Wel is die soldaet quaet die veel suchtens vergiet, Int angst-vallich gevolgh van sijn overste Heer. Dit eeuwich nodich dan bekleet met reyne leer, Verschuyft het nimmermeer, die wel zoeckt te gebieden. Gebiedende Mensch. Ick doet. Lang ervarentheyt. En wel. Maer wilt nu een luttel bespieden De conscienty, flus de aarde vrucht genaemt. Gebiedende Mensch Gaaren. Wat is doch dat de outheyt van haer raemt? Betaemt sy 'twerltlijck recht? Is sy nut int gemeen? Lang ervarentheyt. Religy is haer Moer, in wat landen, wat steen Dees is, is sy niet min. Waer sy flaeuwt en verdort, Haer levendich gelaet dees neffens haer uytstort. Int kort, als Ziel en Lijf sy twe haer tsaem vermengen. Sy is de prickel die nimmermeer kan gehengen Datmen Godt lastert, van hem qualijck spreeckt, of voelt. Den Hemel geeft u haer met profijt, want sy woelt Onrustich tot u rust, om u rustich t'ontlasten. Een breydel is sy voor de sond'; na diens aentasten Een gheessel: een getuych die elck tsijn na recht geeft. Ellendich lant en volck, die haer hebt en wel bruyckt. Hoe wel men meer an Faam als conscientie ruyckt, Isser nochtans voor haer niet zaliger te vinnen. Als ghy te raet gaet leyt haer altijts met u binnen: Versinnen doet haer al 'tvolck daer ghy over heerst. Gebiedende Mensch En dan, Lang ervarentheyt Sal u gemeent welvaren op het seerst; Haer wesen en haer werck (nae't eerlick eyscht) bestieren. Deeghlicheyt sal de deucht dan op het schoonst vercieren. Vieren sal alle volck dit voorsichtich beleyt. Gebiedende Mensch Dit op dees' wijs gedaen, wat schorter dan? Letterlijcke kennis. Wijsheyt, die hier int kort geseyt, is weet en liefd' der zaken, Diemen een, of gemeen, te doen hoort, of te wraken: So spraken veel van haer eertijts de wijste wyzen. Gebiedende Mensch Maer haer nootwendigheyt, overtreflijcke grysen, Prysen sy die? Lang ervarentheyt. Sy doen: en noemen haer op't ronst, Van te leven te zijn de rechtgrondige konst:
Gelijck de Medicijn is van gesont te leven. Dat tegenwoordich is wort wel by haer gedreven. Dat in verwachting is, voorziet sy. Sy gedenckt Dat lang verleden is. Gheen bedroch haer yets krenckt. Niemant bedriecht sy weer. 'tDient haer al datter is. Tgeluck self haer herkent. Zekerlijck en gewis Maeckt een wijs man hem zelf (so veel hy wil) geluckich, En gebiet die Fortuyn. Onwetenheyt maeckt druckich, En doet haer self, met tgeen dat haer aenkleeft, vervallen. Van de geheuchenis en 'tgebruyck veel te kallen Waer hier plaets, maer geen tijt: dan doch dees' twe pylaren Stercken een rijck oock seer: mitsdien sy kennis baren, Die naren, veeltijts plach geleertheyt onbedeest. Deucht en Godtvruchtigheyt versterckt sy aldermeest: Dus weest u hulpers hulp behulpsaem t'alder uyren. Letterlijcke kennis Dit doende sal de staet van u Vaderlant duiren, Tot lief en leyt van u, en u vyanden bloedich. Lang ervarentheyt. Dit is de wech die hy ingaen moet, wie voorspoedich De paerden mennen wil van't heersende gebiet. Gebiedende Mensch Heeren voor dees' tijt niet: Geriet ben ick weerom u in als te behagen. Letterlijcke kennis Bedenckt u nader; so ghy twijffelt wilt het vragen, Gewagen sullen wy alle ding t'uwen besten. Gebiedende Mensch. Hondert duysent fout danck. Lang ervarentheyt. Ons goe wil u ten lesten.
Cookies on Poetry Cove