Beslvyt.
Tot een besluyt ick sal de reden noch verhalen,
Waer uyt dit alles spruyt; des om niet verr' te dwalen:
tKomt uyt een Danckbaer hert, die dees altsaem ontmoet,
Gebiedende het kint sijn Ouders te betalen
met danckbaerheyt, dat sy haer hebben opgevoet,
Want die een nootzaeck is, ja zelfs de Morgen-groet
moet danckbaerlijck gedaen zijn door eer, liefd' geduldigh,
Mits door gehoorsaemheyt, Die nu haer vragen doet;
Die sijn Kind'ren op-queeckt met wel te doen sorgvuldigh,
Wat zijn sy (zijnde groot) hen daer voor weder schuldigh?
'kSegh, Eer, Liefd', g'hoorsaemheyt, met danckbaerheyt verselt.
Om loon niet, want 'tis 'tminst voor 'twel-doen dobbelt-guldigh:
Maer op dat haer niet rouw' te hebben dy gestelt,
Door so veel moeyt en zorgh, wijs beleyt, kost, ja gelt,
Tot sulcken ouderdom, met welvaert so beregent,
Des seyt de Damast-bloem, daer Liefd' verwint 'tgewelt,
Eer, Liefd', door g'hoorsaemheyt, van danckbaerheyt beiegent.
Liefde vervvint.
Oeff'ningh leer u.