Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

3. Handelinghe, 4. VVtcomst. T'Lant, Ridderschap, Edelen, Steden, Advocaat.

T'lant. HOE Lang' (ghy Hemels Vorst, Schepper van't gulden Licht) Sal duiren mijn ghevaar, en schrick'lijck nacht-ghesicht,

T'welck in dees drouve eeuw' my stadich comt te vooren Van Twist, tweedracht en haat, nydicheyt ende tooren: Door wien oock het ghemeen onverduldich verbaast Als een veelhoofdich dier verwoet trotsmoedich raast. Mijn Staten gheeft my raat, ghy weet wat soet anbieden My uyt den Spaanschen naam tot voordeel can gheschieden, Om zo t'verwart ghemeen (het welck nu is ontstelt) Te vereen'ghen met my: namentlijck door t'ghewelt Des Spaanschen Conincx macht, om zo in rust te leven. Advocaat. Hoe soude doch t'gewelt t'lant ruste moghen gheven, Ghewelt aan t'lant betoont heeft eens so veel ghemaackt, Dat het door onverdult daar van is vry gheraackt; En soude dan t'ghewelt het lant vorderlicxt wesen Om comen tot de rust, dat en can ick in deesen (Mijn Heeren) niet verstaan, t'waar oock een dwaase daat Gheweest van t'lant, dat sy om d'vryheyt so veel smaat Den tijt van veertich jaar stoutmoedich heeft gheleden, En met een vroome handt ten bloede toe ghestreden: Hoe sou d'verstorven Ziel der helden, die zeer stout Voor de vryheyt hun bloet ghestort hebben veelvout, Beclaghen haar voor God, dat wy t'Ghemeens welvaaren En vercregen vryheyt so laten soud' verharen? Neen, neen Mevrou, dien raat en comt ons niet tot nut. 'tLant. Wat raat zo weet ghy dan, om te wesen beschut Van al dees schrick en vrees, en om t'leven met vreeden, Eendrachtich met t'Ghemeen in alle myne steden, Naar een liefdige wet verknocht en tsaam vereent? Ick staa in twijffel groot, twijffel tusschen d'Ghemeent En my oock mede staat, om t'beste te verkiesen, Welck vord'rlicxt voor my is, en wat om te verliesen Twist, tweedracht ende haat, nodichst voor t'Ghemeen nu Wesen mocht: dit bezwaart my t'herte zo met gru, Dat ick na de natuer van veele swacke Menschen, Mijn selven als onttroost wel qualijck soude wenschen. Den raat hebt ghy verstaan die Spangien hier in gheeft: Maar als ick die bedenck van schrick my t'herte beeft. Dien raat, mijn Heeren, can voor my niet wesen eerlick, Want d'uytkomste van dien haar toonen soud' te deerlick: Dies ben ick t'eynden raat gheheel tot deser tijt, Te meer nadien t'ghemeen steets rasende noch crijt, En sich alhier vertoont tweedrachtich buyten sinnen. Advocaat. Mevrouw', het nodichste waar waardich te beminnen: Maar helaas! buyten raat so ben ick nu ter tijt.

So t'Lant is buyten raat, sijn wy t'welvaren quijt, T'welck lacy! nu by ons hert'lijck is te beclaghen. Ridderschap. Helaas! wat swaarder noot comt ons ter stee nu plaghen? Mijn Heeren ick weet wat ick hier seggen sal. T'lant. Wat sal my vorderlijcxst sijn in dit ongheval? Wat's nodichst voor t'Ghemeen om te benemen t'woeden?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove