Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

VVel op mijn Fluyt, wel op wy willen.

Winster van 'sHemels Woonsteden, Coninginne van goedtheydt, Die der Goden plaats bereydt, O Deucht die met witte kleeden, Wt het Aertsch int Hemels leydt, Wat ghy wilt dat wordt verbreydt. Kennis. Baer-moeder van dees Gouden tijdt, Die ons om-armt met zuyv're Leden, Van Heylighe Hemelschen vlijt, Waer ghy ons leydt sullen wy treeden. Vreuchde. Heeft den Hemel ghedaan open Nieuwe Circkels van weldaadt, In het twee-en-vijftichste Graadt, Daer ick 'tLandt al heb doorkropen,

Ick wil oock Circkels van 'tbly Trecken en daar stellen by. Kennis. Ick Kennis die niet feylen kan, Weet goet en quaedt te onderscheyden. Bedriech niet, endie mijn neemt an, Kanmen bedrieghen noch verleyden. Vreuchde. Ghy Volck die wel eer schiept vreuchde In 'tverderf van u Vyandt, Vwen zeghen, zynt schandt. Hiers een vreuchde, dats een deuchde, Die niet en hindert noch en krenckt, Nochtans groot profijt in brenght. Kennis. Neen, gheen bedroch leydt in mijn mondt, Want ick ontdecke het bedrieghen, Ick sie schijndeuchde inden gront En doe de schalckheden vervlieghen. Vreuchde. Dese Vreuchde die ben icke, Ick die op de Deuchde let, Die met vermaack is ghewet: Ick die 'twreede afgryselicke, Doe vergheten, en ontwen, Door de Vreuchde dien ick sen. Kennis. De Wijsheydt is mijn Ghesellin, 'tIngheven mijn verstand'le krachten, Ondersoeck, Opmerck, het Begin, Konst en Wetenheyt, het versachten. Vreuchde. Veracht mijn dan niet swaar hoofden Met u bekommert ghemoedt; Seght niet dat Vreuchd' Sonde broedt, Al die mijn maar eens en proofden Comen all'gaar over een, Dat ick het Hemelsch verleen. Kennis. Zoo ben ick dan noodich en nut, Wijst my dan, O Mensch! niet van handen, Door kunden ghy u self beschut, En door Wijsheden uwe Landen. Vreuchde. Segghen met des Hemels Goden Den Hemel is Vreuchd' en Vree,

Ist Vree, waarom gheen Vreuchd' mee? Of souw Vree de Vreuchde dooden? Neen, neen, daer de Vrede woont, Daer wordt Vreucht van Vree ghekroont. Kennis. Treedt in, in wetenheyts School treet, En besiet wat daar is te leeren, Daar vindt ghy Deuchd' met Vreuchde becleedt, Een onverganck'lijck Hemelsch eeren. Vreuchde. Dus sult ghyin Vreuchde leven, Als dan Salmander int Vier, Want ghy zijt mijn goedertier, Ick en kan u niet begheven, Soo langh als ghy blijft by mijn, Soo langh zal ick by u zijn.

Midas, Momus, Pan.

Momus. Heb ick in spyte niet met wel-beleyde woorden Den forsschen Krygher Mars; den Vader van het moorden, Ghereden in zijn Schilt; ghevloghen onder 'tSwaardt, En hem zijn zeer ontdeckt dat 'thadde eenen aardt? En zy ick niet een Godt, ja oock een Godt van Goden Die Venus soete Man doe sterven duysent dooden? Om een gulhertich woort: ja Venus 'tdert'le Wijf: Des Wereldts Sinne-pop; des Wereldts tijdt-verdrijf: Die met het kleyne Wicht, de Leeuwen weet te dwinghen, De Tyghers wreet te vaan, de Reusen t'onderbringhen Heb ick soo menichmaal, hoe wel sy haar beroomt, Dat alder stercken sterck door haar doen t'onder koomt, Ghedwonghen als een Kindt, met opsien straf en banghe, Van sorghe datse zou wat van haer leemt ontfanghe. Souw ick dan niet een hoop door-droncke dwase Menschen, Met eere opghevult, verdrucken en verslenschen, Met eene handt gheswindt? wat segh ick, hand gheswint? Met een spits harich woordt sla 'k haer doen inde Wint: Indien ick Momus ben, dien Moom die elcks ghebreecken, Diemen hier Bockens noemt in de handt weet te steecken: Recht of hy 'tme toestondt, en onder sulcken schijn, Speul ick mijn Rolle vast, en gheef elck een het zijn: Het laat hem hier aensien, want het zijn meest wan-deghen, Dat ick hier Veldt en Slach behouden sal met zeghen, Dat steeckt vry na de Kroon, hoe? 'kben gheen boerschen Pan, Die mee wat spotten wil, en nochtans niet en kan:

Maar ick ben Meester Moom, alsoo ick heb vertrocken, Den roocker van het Sprot, en stover van de Boeken: Neem waar dan Rederijck, ick ben u erfvyandt, Mijn tonghe is ghesmeert, ghescherpt is mijn verstandt Op u en u voorstel, ghy sult het nu betalen Om datje in u dicht, veul van my gaat verhalen, Dat ick de Spinne slacht die't bitter haalt uyt 'tsoet, Om dat ick u vod'ry, die nerghent goet toe doet, Juyst niet en prijs: 'tis oock wat soets om van te houwen, Her uyt Pan Geyte-voet, wilt 'tluwe bosch niet trouwen, Hier is wat meer te doen, dan te bewaren 'tVee. Pan. Wel macker tiert dus niet, ick en was noch niet ree, Want ick was achter't gat (hier teghen juwe seyt) Mijn water-Nimph Zyringh die over soete meyt, En 'twas weer 'touwe g'laet als icker meend' te grypen, Twee haenden vol van riet: mijn soete lulle pypen, Daar ick (sooje wel weet) Apollo mee verwan, Die'ck hem tot spijt voer. Momus. Daar komter de tuych van, Die'r de ooren an dreecht. Midas. Wat isser gaans mijn vrinden, Isser weer een Rot ghedrenckt? Momus. Ja het lieve beminden: Begheerder van het Goudt, in Hollandt tot Vlaardinghen Heeft Apollo by een zijn Musen laten bringhen, En daar isset te doen, soo gheweldighe breedt, (Na heur-luy mal bewerp) datmen't alreede heet 'tVlaardingsche Helicon, en daar is sulck toe loopen Van't nieusgierighe volck, die komen zien met hoopen, Datmer naeuw een en souw, uyt trecken by de staart. Midas. Ja seecker, watje seght, zijn de kappen weer vergaart, Daar sel niet dan te veel sotten na loopen gapen. Pan. 'tMoest wesen, gist'ren brocht ick buyten dijck mijn schapen, En stelde my ter neer, en blies op zijn Zyringh Het selfde lijtje daar ick den prijs van ontfingh: Onderwijl dat ick dus in mynen zeghen gloorden, Vaart my een schip verby, daar uyt quamen dees woorden.

Derf jy noch zinghe boerschen Pan, Dat jy het hebt ewonnen van

Het onverwinlijck lauwer hooft Dat 'tal verwint, dat 'tal verdooft, Wilje weer sulcken prijs ontfaan Soo laat u schapen weyden gaan, En vaart met ons, wy legghen an En bringhen u haast by de man.

Sy loufden na 'tlandt toe, ick dat ziende teegh aan't vluchten, En begaf al den hoop, schapen ende ghenuchten, En sprongh, en berghden my in zudsen van langh riet. Midas. Pan van deus daagh is mijn oock dierghelijck gheschiet Van d'ongh'lucx veughel Raf, daer ick school voor de hitte Onder't lof van een Olm, komt hy op een tack zitte En schrolde strack op mijn, ick sloech hem niet veel acht; Hy dat ziende heeft van spijt dees woorden voort-ghebracht.

Heer Koninck soo jy hebt verloren Bey u langhe Esels ooren, Wilt daar niet bedroeft om wesen, Ick heb bloeghe letters ghelesen, Die meen ick zijn aan u gheschreven, Want het is van oordeel te gheven, En daar in zijt ghy seer diepgrondigh, Ick meen plomp ende onkondigh: De Musen elck op't zeerste spelen, Strijt om strijt, om eers juwelen, Sooje weer oordeel lust te binnen Vier paar ooren seljer me winnen.

Daar mede sweech hy stil, en is schat'rend' vervloghen, Ick borste van spijt, en versmolt in het wroghen, Ick son en weer verson, en hoe dat ick verson Den inslagh van dees saack, ick niet begrypen kon: Dan ick versta nu wel, waar toe dit segghen strecket. Momus. Seecker is met u tween van te voor dus ghegecket, Soo sel't na mijn beurt zijn, daar moest ick in verzien. Pan. Weet jyer dan raat toe? Momus. Niet veul om te verbien, Dan met mijn ooghen scheef, bespotten en begecken, Indien ick had gheloof, ghelijck ick voor-tijdt dee, Mijn tonghe glad' en scherp, haar al de keel of snee:

Maar dit is nu ghedaan, Jan alleman isser jonstigh, Men hietse vol verstandts, Poëten wijs en konstigh, Waar't slech weer ooreloogh, het waar met heur ghedaan, Sy souwen dan soo breet niet wrenyen en voort-gaan Als sy rechte voort doen, haar spul nam wel een ende. Midas. Ast sou, het oorloogh is kunst vyandt en ellende, Het ghedenckt my noch wel, hoe sy songhen ghena, 'tWas Cruystem, Cruystem, gut mijn hielp soo seer haar scha: Wat mach ick segghen scha, het wasser groot voordeele, Sy spaarden kost en moeyt deur't verbien van haar spelen, Daers' nu kost en moeyte doen, en spillen noch haar tijdt. Pan. Midas slachtense jouw, sy letten op't profijt: Maar dit en doen sy niet, sy letten op den name Van eer en eerelijck, en loffelijcke Fame, Dat zijn twee haen vol sons, hoe zijnser me verzien. Momus. Ghelijck 'tvolckje van sint Job, die op twee kricken rien: De naam hier, de naam daar, ick prijs den naam te draghen Daar de schoorsteen van roockt, en die't profijt doet jaghen Inde keucken, 'tsy dan met eere of oneer. Midas. Hebben, is hebben, het maackt moet, en speelt den Heer, Wat vraaghmer dan oock na, hoe dat het is verkreghen. Pan. Ey volck laat die saack staan, daars ons niet aen gheleghen, Wy hebben niet te doen, dan kaetsen op het dack, Van't volckje van Apoll', en gheven die een lack Dattet een aart heeft, en daarom zijn wy ghekomen. Midas. Pan, je seght seecker waar, Momus ghy moetet goet nomen Dat deus Vlaardingschen hoop, nu heyt en stelt te veur. Momus. 'Tis 'touwe deuntje weer, een lap ende een leur, Ghelijck sy zijn ghewent, ghewoonlijck te bedryven, Sy keunen toch aars niet, als kickackutjes schryven, Hier van vraghen neuswijs, ginder van reghels diep, Die Promotheus niet, hoe wel hy't alles schiep, En soude konnen raan. Pan. 'Tis soo met sulcke grillen, Die nerghent goet voor zijn, sy't slechte volck stillen, En die houwen't voor goet, dat sy niet en verstaan. Momus. Sy verstaan't self niet, want d'een sel dus en d'aar soo raan:

De Vraghers die zijn blindt, en d'Antwoorders noch blinder. Pan. 'Tis te mal om te kallen, dat de luy haar kinder Hier toe houwen, 'tsop is toch de kool niet waart. Momus. Maar Pantje, weetje wel hoe't by heur wordt eklaart? Sy hebben Deck-mantels, die Nutte vreughde hieten, Mom-aensden van Blyschap, en deughdelijck ghenieten, Die ick noom kost vergheefs, yel teroor, tijdt verdrijf, Niet winnen, sonder sorgh, 'tverdriet van't Wijf: Daar by komt datse staan in Jan allemans zinnen. Midas. Momus, ick denck wel dat hier veul prijs is te winnen, Daar is heel veul te doen, seyje flus teghen mijn. Momus. Jaa't, een Kroesje met een Sout-vat, die van Tin zijn, Ist niet wat suyverlijck is, om kost op te maken, Moghender de Factoors 'thooft niet wel om rabraken, En zitten suffen en verzinnen dagh en nacht: Maar weetje wie de beste prysen werden t'huys ghebracht? Pan. Wel hoe sou'k dat weten. Momus. Den Tapper en den Pachter: Met Rederijckers prijs, ist een backsel ten achter, Want al heur prijs die leyt in't prysen mette tongh: Dat je woonden in ste'en, en saecht watter om gongh, Je zeghende juw self, soo keunen se bekaar eeren, Gheen Hoofse trecken heur curreghent in passeren: Komt yemandt van heur Beudt uyt are deurpen en ste'en Heur besoocken, dan gatet op een faam verbre'en, 'Tis, dat's sulcken Poët, hy kan soo spullen dichten: Dat is haar Keyser die kan zijn re'en soo uyt richten: Gint isser Prins, die heeft sulcken moyen uyt-spraack, En gheene quant speult soo fracy, bysonder in't vermaack: En zijnde by malkaar, dan gatet op een groeten Met de groote naam, die in't vet en sal boven dryven moeten: Somma, 'ten salder aan mondts prijs ontbreecken niet. Midas. Maar fleem Panne te speulen alsset slecht niemandt en ziet, Zijnse daar niet in alle gichelijcke gaar Doctoren, Ick hebbet soo menighe reys segghen hooren Dat sy met drincken en bancken, hanghen aan malkaar Als een ouwe sack met lappen, en 'tis oock waar Dat sy gheen struyf om een ey en sullen bederven, Al souden sy't in hondert duysent vaten scherven:

Den dronck dat isset paardt dat Reden-rijck beschrijt, Het fleemen is de saal, die steeckt vol spot en spijt: Ist wonder dat sy zijn, lichthertigh ende blyde? Den dronck die vrolijck maackt, is altijdt op heur syde: Is dat Reden-rijck, het mach zijn droncken-rijck, Dat lijckent bet na'ar naam, en 'tis heur doen ghelijck: Dit hoort seecker verboon, 'tis niets waart een rotten appel. Momus. Ja waar ick Heer van't landt, ick souw de Kamers knap // wel Helpen aan d'een kant, wouw icker wel beloven, Sy souden 'tvolcx zin dan niet meer tot haar roven, Met heur kap, trommel en baan, als kacx tot vermaack. Midas. Dat op haar eyghen beurs, ick sach noyt slechter saack, Sonder te letten op winninghe en profijt, Hier om moetmen met Rede-rijck 'thoopje worden quijt. Momus. Om hier in te verzien, wouw ick al haar leuren Van spullen en bullen, tot asch maken en scheuren, Mocht ick slechts begaan, hoe sou'ker me om springhen. Midas. 'Tis wel gheseyt, maar hoe sou jyet volbringhen? Sy keunen met behendighe toe-ghemaackte quacken, 'Tswert wit maken, en in't aanzicht smacken Dattet wit lijckent, sulcken verbloomden gloos Weten sy te gheven deur heur schalckheydt boos, Waar me sy Oversten en Ghemeen in slaap wieghen. Pan. In struyf, daar en is gheen kans om haar te bedrieghen, Wanneer den nieusgierighen hoop heur 'thooft houdt op, Dan lustet al te speulen met de Reden-rijckers pop. Midas. Je praat daar van speulen, 'kbeginter nu op te dencken Hoe sy Molus en mijn eens een spul ginghen schencken, Sy quamen daar voor ons heur Tenten ontdoen, Elck tradt na zijn personagie als een kappoen: Sy stonden op het redeuys al de Zilvanen ten oogh, Dan quamen sy te ras uyt, en dan weder te vroogh: D'een kost zijn rol niet wel, die beetmen't in zijn ooren Soo goelickjes, dat 'tMolus en ick 'twel mochten hooren: D'ander stondt ghelijck een houte staack, sonder te beweghen: De vierde stondt en taterde,alsoo dat ick't Wel twintich-maal beter wou hebben beschickt: En 'spul was soo uyt-nemende en uyt-ghelesen, Dattet moest het werck van een Spaanschen Factoor wesen,

Soo slootet op malkaar, even alsset speulen dee. Pan. Dat en heeft niet ghemaackt eweest op de Franse snee, Daar houdt men nu alsoo veel van, 'tis niet te segghen: Wie dat nu niet en kan, die moet tans after legghen, Sulcken puyck en ouwe keur is dit nieuwe op staan. Momus. 'Tis een hoop beuselmert, van laat-duncken en waan Die'r in't hooft leyt en maalt, sy willen wat beginnen Om wijs te hieten, want sy den wysen naam beminnen Boven de wijsheydt self, en 'tnieuwe hiet altijt moy By't nieusgierighe volck, al isset niet veel roy. Pan. Ick was t'jaar inde Ketel, 'khebt waer bevonnen, Doen't daar van't verwerde Babel was begonnen, Wie zijn mal vernuft op't nieuw hadde ewet, Die had' na zijn zin, 'twas al strijck ende set: Maar d'oude voys die de beste is, die lach onder. Momus. Sy bennen bey, ist oudt ist nieuw, niet bysonder, Quader dan qua'er, sy slachten 'tquaetst' landt op den broock, 'tSijn lampen sonder licht, en bloemen sonder roock, S'en schynen, noch s'en zijn in't minste niet met allen. Pan. Je meught het wel segghen, 'kweter me van te kallen, Hoe datse met schijn vermomt na apen alle dingh, En daar hebben deuse Vleerdinghers een haatje af sonderlingh, In kleen, en bootse maken, daar sy voor speulen, Ick was lestent op het trommelslach te Vlaardingh gaan seulen, Daar sach ick haanse pottren toe-ghemaackt met naackte leen, Die'r houwe kosten,al haanse al der leven ebeen, Sy hadden dieven dieder stelende uyt saghen, Landt-loopers met schootvellen die na werck vraghen, Troggel-vrouwen met keurven, snolletjes voor't ghebooft, Daar mijn neus seecker wel op sou hebben estooft; Beulen en hangh'mans die soo leelijck konde kijcken, (Dat slechte volck den moet schier gingh beswijcken) Die hinghen en onthoofden de luy daar quansuys mee, En de quaatdoenders stinghen als kacx tot sterven ree: Som haan heur baart uyt doen schrappen totten grondt, Daar waren Heydens van emaackt, die speulden met de mont In't spreecken en waersegghen na de Heydense wyse. Momus. Ja sy maken veul spuls, om datter 'tvolck sou pryse: En hoe sy't maken met spotten ende begecken Sy moghen 'tkaal Rethorica daar niet me bedecken:

Waar dan niet beter elaten dit apen spel? Midas. Jaa't seecker: maar Momus wat is 'tVlaardingsche voorstel, Ick vraaghder flus na, en je deeter gheen bescheyt van? Momus. Wilje van mijn hebben dat ick weet noch en kan? Doch van buytenen an, sel ick je wel wat segghen: Daer is een vraagh van de Ouders die in armoe legghen, Wat de kinderen groot zijnde heur schuldigh bennen. Pan. Makense daar veul spuls om? dat sou wel raan kennen 'tJoncxste kindt datter te nacht eboren // is. Midas. Alst seecker sou: sulcken vraagh al moeyten verloren // is, Haanse by mijn ekomen, 'tkhater strack wel uytte leyt. Pan. Zijn dit de luy daar men de Wijsste teghen seyt? 'tMeughen de Geckste wesen van den heelen hoop. Momus. Alst seecker bennen, en het vraghen is goe koop: Maar 'tis een dwaas die't veul doet na 'tspreeckwoordt luydt. Pan. Isser aars niet te deghen, de vraagh niet veul en sluyt. Momus. Jaa't noch twee dingen: 'teen is van middel te nemen by haendt Die't volck meest profijt doet, en meest voordeelt in't laendt. En't aar seyt: dat Eendracht de laan maackt sterck en krachtich, En datse Oneenigheydt weer maackt onmachtich. Midas. Ist van't laendt eworden? 'tpleegh vande Schrijftuer te wesen. Momus. Dat loof ick wel, daars in muys uytte seem'len eresen, Se hebben't soo plomp emaackt met schieten en schocken Op de Gheleertheydt, dattet d'Oversten hebben an etrocken, Die willen niet dat sy Schrijftuer sullen roeren aan. Pan. Dat is wel edaan: want syter oock niet en verstaan: 'tZijn meest een hoop Gheest-dryvers, David Joristen En Coornhertisten, volck die met Schrijftuer soken te twisten: Want sy verstaan die al op een are manier Als Jan alleman die wel is verstaande hier: En wanneer sy yet sullen dichten of schryven, Legghens daar altijt met overdwors inde baan en dryven. Midas. Wat hebben syer oock te moeyen met 'sLandts saken, Dat's d'Overheydts werck, die sullen't wel maken

Al en hebben sy heur Dichters niet tot raden. Momus. Ja 'tis een hoop land-vergifts, pesten en schaden, Mitten alle der korsten recht uyt esproken Die'r tijdt verspillen in tijdt trovenden boken. Pan. 'tWaar beter datse ghelijck Midas en ick de'en. Midas. Nu en doense dat niet, waar gaauw'er me heen? Momus. Wy sullen't hier met dweerse ooghen aan kijcken, En waarse in missen selwese deur strijcken: En wiese op zijn zeer wat hart eurghens in raken, Die selwe op reuyen, en't goet water vuyl maken: Want al laghense al schoon op heur keel evangen, Soo sellense toch met spotten gaan heur ganghen: Hoe veel te meer nu se speulen den Heer, En wanneer't yement eraackt werdt op zijn zeer Soo wordt hy quaat, die quaatheydt sel af-junst baren, Af-junst vyandtschap,vyandtschap sel niet sparen Koste noch moeyte om zijn vyanden te verdoen: En ick sel't noch qua'er maken met schelden en wo'en, Want ick bender vyandt uyter natueren. Pan. Dat's hem recht, dat's hem recht, se sellent besueren. Midas. Igut hoe wil ick't vier aan-blasen en stoken. Pan. Hey Zyringh sta by, daar past op te tuerelueren. Momus. 'Tis hem recht, 'tis hem recht, se sellen't besueren. Midas. Oock Groote vaar, se moeten swichten voor juw kueren. Momus. Wel waarom niet? want ick ken Spaansche vyghen koken. Pan. Dat's hem recht, dat's hem recht, se sellent besueren. Midas. Igut hoe wil ick't vier aan-blasen en stoken. Momus. Wel op, dattet dan te deegh mach smoken en roken, Soo moetter noch eerst een sangetje voor uyt reysen: Want als wy me vreughde toonen,salmen niet peynsen Dat wy luyden vyanden zijn van de wetenschap. Midas. Dat's seecker waar: Nu Pan jy bent in zingher, hef op.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove