2 Deel, 1 uytkomen.
Een Kapiteyn vande Volsen met sijn suite.
T'Is tijt, als tijt ons geeft tijt om te nemen waer,
Te bruycken tijt in tijts, en wy die in gevaer
wagen ons lijf en goet, om anderen te dwingen,
Door den bequamen tijt haer steden te omringen,
Zijn wacker als den haen, en horen romentom
offer niet open is, in tijts hoortmen de trom,
Indien de vyant slaept en broeyt in synen slommer,
Door trotse dertelheyt, veel tweedracht ende kommer.
Romen 'tis u gemunt, ghy die u Borgers weckt
tot oproer en tweedracht. Ons Leger tot u treckt,
En sal u, eer ghy't waent, in u tweedracht betrapen,
En schenden uwe eer, als ghy sult liggen slapen.
'tHart huppelt my in't lijf. Ick zie den wreeden Mars,
Lonckoogende op my, en lachtend' over dwars.
Wy hebben goeden moet, en hopen te bekomen
Door tweedracht desen volcx 'tgebieden over Romen.
Den Wolf als hy beloert een Schaep, vreest hy den Hont,
So haest den Hont hem keert, betraept hy het terstont.
De Vos, wanneer hy hoort den Wijngaert-wachter snuyven,
Komt nader voet voor voet, en steelt de rype druyven.
En terwijl Romen nu vast slommert in tweedracht,
So salse zijn beloert van diese niet en acht.
‘Want door eendrachtigheyt is een lant sterck en krachtich
En door Inlantse onvree winnelijck en onmachtich.’