De Ketel tot Vlaerdingh.
O Deucht-out-slaefsche heyl! ô Lit des veelder Leden!
O Batavis begin! trouhertich liefdich bloot,
Den Vromen stant gerecht int eerste vande noot,
Hoe hebt ghy uwer faem bekleet met vromigheden?
Hoe hebt ghy op-gequeeckt, gebroet veel schoone Steden?
Als een Baer-moeder teer gezocht te maken groot,
Dijn Kinders, die nu hier dy hoorsamen in vreden.
O lof! ô menich eeuw sult blyven in gedacht,
Dat dees dijn leden veel liefdich hebben getracht,
Die ghy bewijst heyls eer met schone soete reden,
Daerom wy zijn verplicht te dancken u met macht,
En Aensien Liefd' by u door Liefd' van groter kracht,
Willen tot dijnder eer te Slavenburch in treden.
Noyt meerder vreucht.