3 Deel, 1 uytkomen.
Menenius Agrippa met de syne komen uyt, gaen na de plaets van de gelegerde Romeynen, eenen op schildwacht.
Menenius HIer zijn wy by de plaets daer sy met grote sorch haer hebben neergeleyt omringt met wapenborch, Voren loopt de Rivier, achter heeft men de hoochte, Ter zyden staet de Wacht, 'tis al moras, geen droochte en isser schier ontrent. 'tblijckt datse zijn gewent te zoecken legerplaets en t'slapen inde tent. 'tBlijckt dats' vervaren zijn voor des Lants eer te vechten, En tot vyanden spijt haer standaers op te rechten. O volck, o trotse volck, bedenckt toch wien ghy tercht. 'tIs waer men tercht niemant, als men't gerechte vercht, Maer soeckt door kracht het recht haer door het recht gegeven, Hoe kan een vry gemoet in slavernye leven? Hoe soud' een Romeyns hert verdragen 'tgrote quaet, En zien dat voor sijn moeyt men't inde banden slaet? Veel eerder sou een mug voort-trecken Phebi wagen, Veel eer sou een Pigmee den Atlas berg wech dragen, Veel eerder sou de Son veranderen in hout, De Mane in een steen, en de steenen in gout, Eer dat eenen Romeyn (een voesterkint der wolven, Gesproten uyt de vlam, geteelet vande golven) sou zwichten voor het recht en kreucken d'oude wet, Die eens door zweet en bloet met recht is ingeset: En die dit selve niet van goeder herten meynen, Die tonen datse zijn dwersdryvers, geen Romeynen. Laet ons nu treden voort, en stillen 'tgrote quaet, Sien wy vast om en tom waer dat de Schildwacht staet. Siet, ziet, daer leyt hy neer, ey zietse doch eens gapen. Een Borger van Romen Hy slaept: Val. Och ja, ick gis, gelijck de Hasen slapen Schildwacht Hou, hola, wie is daer? sta, let op mijn geweer. De pijl is op de pees, en so ghy niet keert weer, So zijt ghy doode lien. wat wilt ghy ons bespieden? Ick kapper op, sta ver, wat brilt dees grootse lieden? Bruyt heen na Romen toe, en biet den Volser 'thooft. Menenius 'tIs vrindt die tot u komt, en zijt so niet verdooft, Roept uwen Hooftman hier, of laet my tot hem treden. Schildwacht By Juppitter ick zweer, ick sal u hier ontleden, Daerom bruyt by den wint, ofte dat gaeter door.
Menenius En zijt so niet verstoort, maer geeft mijn reen gehoor. Siet wat ick voor een ben, en wie ghy dreycht met slagen. En zo ghy niet en wilt, wacht u voor onse plagen. Romen is noch in stant, en kan noch, alsse wilt, V dwingen tot haer dienst met Wapen ende Schilt. Daerom my doorgaen laet, en hoet u voor 'tverderven. Schildwacht Ghy zijt eenich Romeyn, by Pluto ghy zult sterven. Menenius Wel kent ghy my dan niet? en ben ick niet als ghy gekocht met zweet en bloet? een van de Borgery, Met eede tsaem geknocht? wat wilt ghy my dan doden Die eertijts streden tsaem, en hebben in veel noden malkand'ren bygestaen? Nu kom ick als Legaet te bidden voor 'tverderf van den Romeynsen staet. Roept dan u Hoofdman hier, op dat ick hem mach spreken. Schildwacht Bey hola ick en doe, of toont het vrye teken. Menenius Siet daer het vol bescheet, en maeckt geen meer getier. Schildwacht Hou hola Corporael, roept onsen Hoofdman hier. Cicinius cicinius der Romeynen Oversten.Wie ist die my ontbiet? segt, isser onraet buyten? Schildwacht Neen, het zijn die van Room, die zoecken door haer fluyten ons te brengen in't net. gelooft de schalcken niet. Cicinius Wel, hout u inde weer, en dat men wel toeziet. Menenius De Goon, de goede Goon, de Goon van onse Vaders, Die altijt in het goet geweest zijn onse Rader, Verleenen u veel heyls met de Gemeene schaer. Cicinius Vertreck van hier terstont, lichtvaerdigen verraer, Die ons so meynt het zeem om onse mont te smeeren, Maer hadt ghy ons eens vast, ghy sout het ons verleeren. Voor Romen geen gehoor, dies op der stont vertreckt. Menenius Ey laet toch 'therde oor tot horen zijn verweckt. Vermorwt het steenen hert, om den wil van den ouden. Laet doch de oude liefd' in't herte niet verkouden. Bedenckt de oude deugt, bedenckt de vromigheyt. Bedenckt der Raden noot, en d'oude eenigheyt. Bedenckt hoe dickwils wy wel eer te zamen streden
voor Romen, voor ons goet, en voor ons vayligheden. Bedenckt het grote quaet dat hier uyt kan ontstaen, En laet het droef geween toch in u herte gaen. Keert weder in de stadt, bevrijt heur voor het vresen. Cicinius Meynt ghy dat wy een spot van Romen willen wesen? Wat isser doch geschiet dat men ons so kleyn acht? Heeft yemant weergestemt te trecken op de wacht? Heeft yemant weergestemt den Raet t'obedieren in reden? wat meynt ghy? ghy moocht de kinders leeren, Dreygen die met een roe, wy en zijn niet verveert, Maer dragen op de zy het lang gedragen zweert. Wy hebben aen ons lijf noch al de oude handen. Dat wy hebben gesticht, konnen wy weer verbranden. Wy hebben d'oude kracht, en door 'tselve gewelt, Dat wy hebben verhoocht kan weer zijn neer gevelt. Wy hebben d'oude deucht noch in ons hert gesloten, Waerom men ons verjaecht en gantslick heeft verstoten. Wy wijcken niet een tit van't Voorouders gebodt, En soecken Romens eer, hoe wel ghy ons bespot, En hout ons voor rebel. ghy zijt, ghy zijt het selven die de Romeynse eer geheel soeckt te verdelven. En dat kan niet bestaen. Door alder Wysen schrift is ons Voorouders Wet geraspet en gezift, Bevesticht met het zweet, geschreven aen de wanden, Geprentet in ons hert, nummer komt sy ter schanden, Ten zy ghy ons bedwingt. en als wy dan zijn doot, Ons geesten sullen u dan brengen in den noot. En soo't die niet en doen, de Goden zullent wreken, De Bergen, 'twilt gediert die sullen dese treken niet lyden, maer weerstaen, en rusten niet voor dat Romen sal zijn een puyn, of d'oude wet hervat. Hier hebt ghy onsen zin, en wilt ghy die weerstryden, So treckt weer na de stadt, wy sullen ons beryden te halen weer ons bloet, dat binnen Romen rent, Denckt die sijn neus af snijt sijn eygen aenzicht schent. Ghy snijt ons van u af, doch willich af gesneden, En sullen noch hier om met u te rechte treden, En maken openbaer onsen gerechten stant, En geeft ghy ons geen recht, gebruycken moort en brant, En soecken na 'tgerecht door ons gerechte stryden: En so ghy ons verwint, wat konnen wy meer lyden als 'tgeen ons nu geschiet? Ist dan niet beter dat wy tegen u opstaen voor 'trechte van der stadt, En sterven so in eer het Vaderlandt tot offer? Menenius
Die 'tVaderlandt weerstreeft is in het rechte sloffer, Dan het hem wel betaemt. en kunt ghy niet met goet ende in zoetigheyt komen den Raet te moet? So bleeft ghy in u stant, en 'twaer des Stadts welvaren. Cicinius 'tAfzetten van de Wet en kan toch niet goets baren. En hebben wy ons niet demoedelick vertoont, Ons klachte voorgestelt, om so te zijn verschoont? Hebben wy niet gebeen, den Raet te voet gevallen, Ons arremoet geklaecht? maer 'twas al ijdel kallen, Wy werden niet gehoort, wy namen't bit te ruym, En ja wy werden selfs voor verraders geschonden. En nu het anders is, nu huyltmen metten honden, En briest men metten Leeu, nu bleet men met het Schaep, Dan blaert men met de Koe, dan hout men't met den Aep. En so wort de gemeent geraspt en uytgesopen, En daer't profijt aen is de grote Heeren lopen, Sy leydent na haer wil, houden 'tgout opgetast, Een die uyt 'toorloch komt set men om schulden vast. 'tIs 'tbeste van twe doon den soetsten doot te kiesen. Menenius Laet doch 'tvervrosen hert ten lesten eens ontvriesen. En denckt hoe in tweedracht geen Landt bestendigh blijft. Die 'tVaderlandt weerstaet sijn eygen zelfs verdrijft, Hy brengt sich selfs ten val, daer and're dan op snurcken. Cicinius Als hier geen plaets en is, daer is plaets by de Turcken, Of in een ander Landt, ende door ons gewelt kan op een ander plaets een Romen zijn gestelt. Wit, onbevleckt van smet, geheyt op d'oude palen. 'tIs eens waer datmen is, als men der deucht mach halen, Alsser goe zeden zijn, en als door eenen erm de Borgers altsesaem 'tlandt houden in bescherm. Dan dat kan hier niet zijn, de deucht is hier verbannen. Menenius Verbannen? niet also, hoort toe Romeynse Mannen, Bevat toch eens mijn reen. hoe kunt ghy stygen op tegen dees uwe Stadt, en zoecken haren top te worpen in den gront? sullen de Egyenaren tegen haer huys opstaen? ey wilt doch eens bedaeren, En overdenckt dees klucht, waer uyt ghy zult vermoen het overgrote quaet dat uyt tweedracht kan broen. De Leden op een tijt die wouden haer gaen stellen altsaem tegen de maech: 'tHooft sprack ick ben met quellen en zorgh altijt bezwaert, en wat ick daer door win,
Dat slockt de gutse mach allelielijcken in. De voeten seyden oock, wy moeten 'tLichaem dragen, En hebben daer niet voor, 'tis alles voor de Mage. De hant die klaechde me, dat hy steets wercken most, En dat de maech alleen verteerden al den kost, En bleeft altijt gerust in luyheyt sonder wercken. Sy stemden leech te gaen, de maech niet meer te stercken. Maer doen men nu de maech al haer voetsel ontrock, En datse tot versterck niet en kreech eenen brock, Waer door sy d'ander leen, als te voren, sou voeden, (Want Hooft, Hant, Arm en Been kosten dit niet bevroeden) Werden sy zieck, gemat, ja teffens krachteloos, De vochtheyt uytgeput, 'tgeheel Lichaem wert broos. So gaet het oock met u. ghy meynt ghy-lie alleene gestadich wercken moet ten besten van 'tgemeene, Door u bystant, meynt ghy, wort hare beurs gevult, Maer 'twort gegeven uyt met wijsheyt en sorchvult voor het gemene best, geen best wort meer gepresen als het gemeene best, en dit moet also wesen. Want waer dit niet also, de leden van de stadt souden door ledich ganck geheel worden gemat. Geen hooft kan sonder maech, geen maech kan sonder voeten, Geen voeten sonder hant: en dese alle moeten te saem eendrachtich zijn, een yeder in sijn deel, Of 'tlijf kan niet bestaen, maer leeft in staech gequeel. Daerom ô Godlijck zaet wilt toch weer tsaem vereenen, Met uwe Overheyt, laet stadts lijf niet meer queenen, Soeckt het gemeene best na recht en billicheyt. Cicinius Te soecken tgemeen best daer toe zijn wy bereyt, Te beschermen de stadt. dan dit is ons begeeren, En 'tbeste tot den vree, de Wet weer te vereeren so lang van ons gevolcht. belooft ghy ons dit niet, So moort ghy de gemeent, haer staet ghy niet aenziet, Maer wilt alst trotse hooft de mage 'thaer onthouwen, Dat nummer sal geschien, en wy niet en betrouwen, Ten zy ghy ons belooft het geen is voorgestelt. Menenius Keert weder na de stadt met alle u gewelt, Ick zweer by d'hoge Goon, dat oude wet en zeden Sullen zijn ingevoert, het eenich punt van vreden, Daer toe ons Jupiter wil geven sijn genaet. 'tSal nummermeer wel gaen, daer't soo niet toe en gaet. Trecken altsamen binnen.
De Vereenigde Provincien in een vertoninghe al sluymerende.
Cookies on Poetry Cove