Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

2 Deel, 3 uytkomen. De oproerige Ghemeente onder 'tbeleyt van Cicinius trecken over't Toneel, legeren haer in een hoeck.

Cicinius spreeckt: O Onrechtvaerdich huys, hoe komt ghy nu so prat te verachten de geen die eerst bouden u stadt? Ghy onthout ons het ons, dat sullen wy niet lyen, Maer sullent den Senaet van haere koppen snyen. Ghy woeckert en put uyt ons, en wy roepen wraeck. 'tHeeft lang genoech gebuycht, dat het op't lest eens kraeck. 'tHeeft lang genoech geduyrt daerom wy u verlaten, En zweeren by de Goon dat het u niet sal baten, Dat ghy ons nu verjaecht, en hout de geen in trijn die onder't Schapen kleet der Borgers Wolven zijn. Wy zullen, eer ghy't waent, u in u nest verstoren, En doen u voelen 'tgeen daer hy niet naer wilt horen. Romeynen zijn wy, niet Romeynen lijck als sy. En zijn wy niet een vrygevochten Borgery? Brutus Wat hout ons langer op van ons besloten zaken? Soo laet ons trecken heen, en onsen Leger maken, En sien wie uyt de stadt ons noch sal komen by. Cicinus Sa voort met aller macht, en maeckt een veltgeschry. Maer sijt op uwe hoe, op dat als sy dit horen, Ons, eer wy vaerdich sijn, niet en komen verstoren.

Met geraes binnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove