Choor.
Ach! onkunde, onwijs, onwetend' en onwaar, Hoe derfdy onbekent verachten en onteeren De gaven groot en goet die syn in konst lof-baar, Om dats u plomp vernuft niet en weet noch wil leeren.
Is dan het Rede-rijck een weten noodeloos, Om dattet hindert in Rijckdommen te vergaren? Oft ist qua wetenschap, en baarster van het boos, Die van het Hemelsch na het onder-aardtsch doet varen?
O neen! zy is dat niet, maar 'tis een nutte vreucht, Die 'tghemeen voordeel soeckt, voor heur eyghen profyten, Kennis van goet en quaat, ghegront vast op de Deucht, Die bespraackt goet en quaat behaachlijck kan uytkryten.
Vvat mach onkunde dan uyt dommen yver blindt, Het ghene zy niet kendt, verachten en verdempen, Hoe mach 'toordeel verkeert dus qualijck zijn ghesint, Dat zy het goedt voor 'tquaat aansiet, en gaet beschempen.
VVant daar en is gheen konst, noch wijsheyt, of sy moet Van boven dalen neer uyt 'sHemels hooghe Salen, Vvie nu de konst veracht, verachtet Hemelsch goet Dat tot des Menschen nut komt uyt den Hemel dalen.
VVel zijn den ghenen dan die heur ghegheven pondt In Traacheyts leeghe Kist niet versuyment op sluyten; Maar heur ontfanghen goedt vanden Hemel ghejont, Mildt deelen over al, om de Hemelsche Fruyten.
Vvech laster, loghentaal; die de Menschen verleydt, Vvech, wech, gheblancket quaat, men salje niet ghelooven, De Kunste werdt hier self vande Vvijsheydt gheweydt, De Reden heeft hier plaats, on-Reden werdt verschoven.
Ghy licht-gheloovich Volck die wel op leughens bouwt, Eer dat ghy't onder-staat, watter na volcht op handen, Beproeft en ondersoeckt, de saack wel overknouwt, Of het gheen eer en is dat laster houwt voor schanden.
Gaat ghy voort Ansiet Lieft, met Reed'rijck u Princes. Den Hemel is met u, hy sal u wel beschermen, De Vreucht is u Voorspraack, de Deuchde u Voochdes. De Vvysheydt met der speer sal u stadich om-ermen.
Cookies on Poetry Cove