Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

4. Handeling, 2. VVtcomst.

Vreese Gods. ICK, die de vreese Gods zy, die veel goeds can baaren, Nodichst voor het Ghemeen en voor des Lants welvaren, Nutst en oock vorderlicxst. Ick ben s'wijsheyts begin, S'wijsheyts die dy o Lant betaamt, om t'ghemeens sin Te maacken onderdaan. S'wijsheyts die doet ghebieden Door de voorsichticheyt allerley staat van lieden. S'wijsheyts die onderdaan t'ghemeen maackt dyne weth: Want sy door haar verstaat dat Godt u heeft gheseth: Verstaat oock dyne macht die ghy hier hebt vercregen, Den quaden tot een schrick, den vroomen tot een zegen. S'wijsheyts die stellen can schicking' op alle ding, Die als den Diamant blinckt inden gulden ringh. S'wijsheyts daar door men recht oordeelt in alle zaacken, Sonder vermetelheyt, oft eenich werck te maacken Vant aansien des Persoons, van eenich menschen kint, Zo datmen d'gerechticheyt daar ick by woon, bemint. S'wijsheyts die rijckdom groot toebrengt seer overvloedich, Vervullende het Lant met hare gaven goedich. S'wijsheyts (op dat ickt al u met een woort beslecht) Die s'Lants welvaren baart, en 'tghemeen brengt te recht. Ick ben de Vreese Gods, des Liefdenswaarde Moeder,

Die tyranny beleth en maackt dy s'volcx behoeder. Liefde daar door t'ghemeen u van harten bemint, En d'een tot d'anders nut t'eenemaal is gesint: Die haat en nijt verdrijf, en weer 'tquaat achterdencken: Die den toorne verslint, en die den twist doet krencken, En baart d'eendrachticheyt, mijn waard' en lieve Nicht, Daar door ghy alle macht door dijn macht brengt ter swicht: Die hun teghens dy stelt sal God een vyant wesen, So ick can houden plaats, en so ghy Godt wilt vreesen, Sal hy een vasten burch blyven van u ô lant, Een fonteyn alles goets, die door sijn milde hant Gheeft een welvaaren groot in Landen ende Stede: Daar teghens daar-men my verdrijft, verderft hy mede, Door oorloch, dieren tijt, door inwendigen twist, Door toorne ende haat, door nydicheyts qua list, T'lant: dus dijn ooghen slaat op t'volck van Israhel; Zo lang sy hielden my, bewaarde Godt haar wel, En zeghend' hun met vreed' van buyten en van binnen, Versorghende van als dat sy conden versinnen: Maar als het mijn verliet, verstiet hun weder Godt, Verdreef haar uyt het Lant, en stelde haar tot spot; Wat staat ghy Lant versuft, leth wel op myne reden. T'lant. O waarde Vreese Gods, ghy verquickt al mijn leden, Als ick aanmerck hoe recht ghy mijn noot hebt ontdeckt: De oorsaack van het quaad' die droefheyt in mijn weckt, En gheeft den raat bequaam, daar door-men t'quaad' can weeren Dat my nu druckt, helaas! en my blijd'lijck doet keeren, Dies is mijn hart vol vreucht als ick bedenck u raat. Vreese Gods. So ghy (gheminde Lant) wilt comen metter daat Tot t'geniet van dees vrucht, om t'verdryven u smarte: So moet ick na Gods woort my leeg'ren in dijn harte, Ick segh u die dijn noot alleen nu helpen can. T'lant. Gheminde vrouwe waart, ick wil dy nemen an, Ja houden in het hart eeuwich sonder verlaten. Steden. En wy oock altesaam, want wy de tweedracht haten, Ghy Hemels gulden vrucht, dijn woning' tot ons neemt. Vreese Gods. Dat wild' ick gaarne doen, en bleef t'Ghemeen so vreemt Niet van my, als ick merck dat doet, k'sou by u blyven. T'lant. Mijn Heeren, laat t'Ghemeen door reden daar toe dryven, Vermaant, bidt, en beveelt hun nu met goeder vlijt,

Dat sy de vreese Gods aennemen nu ter tijt, Op dat Liefd' en eendracht weder tot ons nu coomen. Advocaat. Hoe langh' sult ghy ghemeen het Lant aldus doen schromen Door dyne raderny? Hoe lang sult ghy ontstelt, Dulkoppich, nydich, boos, door twist aandoen ghewelt T'lant, en dy selven oock? Hoe lang so sal het duiren, Dat ghy als sot en dul sult toonen deese kuiren? Hoe lang sult ghy met cracht eensinnich dyne cracht Verstrecken tot verderf van u en van s'lants macht? Hoe langhe sult ghy, seght, de vreese Gods verlaten, Die haar nu selfs vertoont, en alhier comt te baten, En weert niet Godes gheest, maar neemt t'ghebooden aan? T'Ghemeen. K'en weet niet wat ghy seght, k'en can u niet verstaan, De sinnen zijn verwart door al dees vysevasen, K'en can anders niet doen dan woeden ende rasen, En dit is niemants schult dan den verwarden gheest. Edelen. Ick bid' stelt u gherust s'lants welvaren, weest Voordachtich in u doen, dijn eyghen nut wilt minnen. Ridderschap. Cracht na de vreese Gods, en stelt uyt dyne sinnen Al tgunt dat strecken mocht tot tweedrachticheyt boos. Steeden. De Vreese Gods is hier, och neemt haar an altoos, Zo sal s'wijsheyts begin groeyen en u verstercken. Edelen. De Vrese Gods sal t'lant in Liefd' alhier ter percken, T'samen met het Ghemeen vereen'gen nu terstond. T'Gemeen. De Vreese Gods en wil mijns lusts begheeren rond Ghedooghen d'alderminst, noch mede oock niet lyden Dat ick in s'werelts doen my selven soud' verblyden: Want wie de werelt mint, en wie haar doen ancleeft, Doch an de vreese Gods int minst gheen deel en heeft: En zo ick haar ancleef, so moet ick dan verlaten Al mijn begheerlicheyt, mijn lust: Ja moet oock haten Eersucht, Eergier, en voorts al wat de werelt mint, Twist, Tweedracht, Nydicheyt, en tgunt de Liefd' verwint: Want t'is begheerens lust die dit alles doet soucken. Vreese Godts. Dit's niet dan raserny, dit moet t'ghemeen vervloucken, Want ghy hier door licht sout u selven en het lant Verderven, en gheheel ons helpen an een cant: Daarom zo ghy bemint de vryheyt en het leven,

So sult ghy tsamen u tot Godes vreese gheven, Die hier voor dy verschijnt uyt liefden en om niet, En zo ghy tsamen haar anneemt, so sal t'verdriet Dat u noch dreygend' is, verdwynen en verglyden, En ghy sult inde plaats van dees bedroufde tyden Sien bloeyen vreede schoon, liefd' en eendrachticheyt, Die dy den Hemel hooch alreede heeft bereyt: Dus laat den toorne fel, lieft God en syne wetten. T'Ghemeen. Hoe verhart dat ick was zo komt ghy my omsetten, Want dyne reden dunckt my Goddelijck te zijn: Dies ick (ô vreese Gods) wil gaan bereyden mijn, Om dy binnen int hart liefdich altoos t'anvaten: Bid' u daarom hart'lijck, en wilt my niet verlaten, T'Gemeen valt op de knien. Maar blyven hier op geduirich int ghemoet, Op dat der Liefden bant door eendrachtigheyt zoet Ons binde weer by een, als pylen vast ghebonden, Die door gheenich verseer en connen zijn verslonden, Wanneer sy maar verknocht te zamen blyven vast. Daarom, ô vreese Gods, naardien ghy mynen last, Mijn dulheyt, mijn moet-wil door Goddelicke reden Gheweert hebt, ja mijn leet oock metten voet ghetreden, Zo bid ick u ghy wilt met t'begonnen voort-gaan; Ziet hier t'ware ghemoet, ziet hier t'hart open staan Met een begheerens lust, met een hert'lijck verlangen Van dy int binnenste des ghemoets te ontfangen, Wercket in my alsnu na Goddelicken aart. Vreese Gods. Ghehoorsaamheyt wilt Godt, Liefd' wart daar door ghebaart: Daarom ô ghy ghemeen die my nu hebt vercreghen, Staat op, neemt waar den tijt, ick zy des hoochsten zeghen Die u alsu omringt te zamen met het lant. Hier comen Liefde, eendracht ende macht te samen uyt. Siet hier dan comen weer de liefde triumphant, Mijn eerst gheboren vrucht des eendrachts ware moeder, Die het Lant en t'ghemeen, beyd' sal zijn een behoeder, Waar door sy vanden nijt tsaam zullen zijn bevrijt. T'lant. Den Hemel sich verheucht, en t'herte sich verblijt, ô vreese Gods, door tgunt dat ghy ons gaat betoonen. Vreese Gods. Siet hier der Liefden kint, de Eendracht weert om croonen, Die door den twist helaas! ten hemel was gekeert, Een Moeder vande macht: ô lant! haar nu anveert Te zaam, en ghy ghemeen, wilt hun int harte drucken, So salt in al dijn doen voorspoedich wel ghelucken: Ja macht sal groeyen steets, en staat oock al bereyt.

T'Ghemeen. Wat vreuchd', wat troost, wat jonst, Mevrou, baart dijn Godheyt Alhier tot onser hulp? Met wat Godtlick bedouwen Comt ghy (o Vreese Gods) ons helpen, en t'benouwen Af-keeren, so van my als t'lant benaut en drouf? Vreese Gods. Eendrachticheyt baart macht (o lant) tot dijn behouf, Beziet waar hy alree door eendracht is ghekomen: Siet hier ghewapent hem crachtich tot dyner vroomen, Goetwillich door de Liefd', om te blyven by u. Tlant. Den Hemel my noyt gaf een blyder dach dan nu; Mijn Staten u verblijt; Den hoochsten wilt oock prysen Van harten ghy ghemeen, so wilt hem danck bewysen: Want een danckbaar ghemoet God liefdich is voor al. Vreese Godts. En hier van ick alleen steets Moeder blyven sal. Niemant dan ick alleen en can de Liefde baaren. Niemant dan ick alleen can wercken s'lants welvaaren. Niemant dan ick alleen can doen comen d'eendracht. Niemant dan ick alleen can het lant gheven macht. Ick verdrijf eygen waan en vermetelheyt blindich. Liefde. Ghy zijt mijn Moeder weert, ick ben dijn Kint bemindich, Sonder dy quam ick noyt uyt den Hemelschen troon. Ick ben de ware Liefd' die door mijn daden schoon Verdryve twist en haat, tweedracht en toorne mede, En bare door eendracht den wel heylsamen vreede, Wel noodich voor t'ghemeen, en vorderlijck voor t'Lant: Sulcx dat de macht daar door moet comen op de hant. Wel zalich is het Lant, wel zalich zijn de Steeden Die tot de vreese Gods eendrachtichlijcken treeden, Want sy de Liefde baart: en waar Liefde heeft cracht, Siet-men onder t'Ghemeen steets groeyen de eendracht. Eendracht. Liefde mijn Moeder is, en ick onder den schaaren, Brenge dan voort de macht, en oock des Lants welvaren. Ick doe bloeyen elck een die zijnde opgheweckt Door ware vreese Gods, een oorspronck zeer perfeckt, Van Liefde, van Eendracht, van macht en Godes zeghen, Die t'Lant en het Ghemeen nodichst is, t'sijn verkregen. Gods vreese die verweckt Liefd', Vreed', en Eendracht goet, En eendracht die maact macht. Gods vreese van ons doet Af-wijcken alle quaat, beweecht den Onderdanen Gehoorsamich te zijn tot d'Overheyts vermanen. De vreese Gods verdrijft Twist, Nydicheyt, en Haat,

Eergier, Tweedracht, en strijt, en baart door haare daat Liefd', Eendracht, ende macht, als Goddelicke stenden. T'lant. Eendracht is myne macht, eendracht gat ghy my senden, En doet Spruyten uyt Liefd' haar voor my en t'Ghemeen: Daarom (ô vreese Gods) en ken ick anders gheen Dan u, die voor my t'best en tvorderlicxst can wesen, Oock nodichst voor t'Ghemeen, om hun van allen vreesen Te vryen, u alleen segh' ick te wesen die. T'Ghemeen. Sonder u vreese Gods, die ick voor ooghen sie, En waar ghecomen ick tot eendrachtige sinnen: Sonder u (segh' ick) had ick noyt Liefd' gaan beminnen, Maer waar dulkoppich trots door nijt tot twist ghewent Ghebleven, dies t'verderf des lants daar door bekent Gheworden soude zijn, Doch nu beken ick gaaren, Dat ghy alleene zijt nodichst voor mijn welvaren: Want ghy door dyne cracht Liefd' en eendracht perfeckt Tot mijn nodichste deel te zamen hebt verweckt, Dies ick u gheef de eer van alle mijn verlichting. Ridderschap. Den hoochsten zy ghedanckt van dees' goed' onderrichting; Mevrou verblijt u dan, ghy zijt van zorgh ontlast. Edelen. De vreese Gods alleen ist daar Liefde door wast. Door Liefd' comt eenicheyt; Dies wy en alle vroomen De vreese Gods alleen voor t'nodichst' moeten noomen, De vreese Gods is den besten middel bekant, Solvtie. Nodichst voor het Ghemeen, en vorderlicxt voor't Lant. Steden. Nadien ghy vreese Gods ons noodichst zijt in deesen, Ghelijck de waarheyt is, So bidd' ick ghy wilt wesen Ons ooghenmerck altoos, en blyven by het Lant, Op dat t'Ghemeen met haar in Liefd's eendrachtich bant, Die ghy hier hebt by u, verbonden steets mach blyven. Vreese Gods. So t'Lant en het Ghemeen my t'saam willen inlyven, So wil ick oock by haar met Liefd' en met eendracht Steets blyven, en ick sal hun so stercken door macht, Dat gheen vyanden haar int minste sullen deeren. Liefde. So t'lant en het ghemeen (Moeder) tot u wil keeren, Wil ick der Liefden straal elck so prenten int hart, Dat gheen Twist noch Tweedracht hun sal connen doen smart. Eendracht.

So t'lant en het ghemeen tot Liefden hun gaan wenden, Zo wil ick tsamen hun vyanden alsoo schenden, Dat ijder met ontsach van haar vertsagen sal: Hun macht sal ick zo groot maacken in 'swerelts dal, Dat hun vyanden tsaam sullen in corter wylen Vercrygen schrick en vrees, door t'saam verknochte pylen, En ijder een sal hun lieven en vreesen t'saam. T'lant. Comt dan ô vreese Gods die my zijt aanghenaam, Mijn hulp, mijn troost, mijn hoop, mijn sterckt niet om betrapen, Moeder van de eendracht, mijn allersterckste wapen, Comt gaan wy met t'ghemeen vereenicht tsamen dan, Laat ons met lust doorsien wat tgunt is dat hier van Gheschreven staat, int bouck dat ghy draacht inde handen. T'Ghemeen. Vereenicht vast met u door eendrachticheyts banden, Mevrouwe, blijf ick steets, verknocht door t'liefdich zeel, Vreese Gods. Gaan wy, mijn Heeren dan, nadien dat al t'verscheel Door eendracht (die Wt Liefd' spruyt) geslist is in desen, Sulcx dat Mevrou, noch ghy, noch t'lant meer hebt te vreesen Voor tweedracht, noch voor haat, voor twist, onvree, of strijt, Noch voor oneenicheyt, voor toorne, noch voor nijt, Of eenich Hels ghespoock dat u deede bezwaren; Comt, ick sal thoonen u wat ghy voor een welvaren En zegen nu vercrijcht, oock wat de eendracht doet. Pausa.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove