Vlaerdingh tot besluyt.
GHy Steden met u Volck, en Dorpen met u Landen, Die mijn u Rede-rijck gegeven hebt in handen; So ick mijn dagen oyt gehouden was in u, So ben ick door dit doen in u gehouden nu, Al-hoe-wel datmen't by den onbescheyden groven voor belach-speultgens acht, die na de tyden troven: 'tIs sullex, en het sal het blyven tot het endt, Dat uwe Rede-rijcken hebben voorgewendt, 'tIaer 1616Wat midd'len datter by der handt dienen genomen, Daer 'tLandt en het Gemeen meest voordeel van mach komen. Laet vry de mag're nijdt gaen zwellen van de spijt, Laet vry den gladden tijt gaen slyten wat hy slijt, Sy en sullen den roem die gh'hier mee hebt verkregen, Met haesten noch met list uyt knagen noch uyt vegen, Want voor doorluchtigheyt het al geschreven is, In't ontsterflijcke huys der langer gedacht'nis. O Dochters, die Jupijn hier voortijdts heeft gewonnen aen de Neriden, verr' buyten de uytter-tonnen, In't vlacke van de Zee, daer de rijcke voorspoet te landewaert in koomt gedreven met de vloedt. Ghy woudt (ô voedsters van Apollo en Minerve) niet dat u pondt met u sou sonder winste sterven, Maer dat het onder my wierd' gezet op woeck'ringen: En voorwaer ick seg u, u pondt sal u t'huys bringen den eersten penning tot den alderlesten toe, Indien ons Moeder 'tLandt de woeckeringe doe: En of het nu al schoon (verr' buyten myne mening) gebeurde, dat het pondt, dat ghy my doet op lening, Geen winste konde doen, en datmen't ondanckbaer versmade, en daer niet en wilde horen naer: V sal van stuck tot stuck de mildt-gegeven ponden in openbaren druck weer werden t'huys gezonden. Ick weete het u danck, dat ghy u Rede-rijcken daer toe verweerdicht hebt, het mijn tot vereerlijcken.
Wy mogen hopen dat het sal ten goeden dyen, En zingen (op geluck) dit lietge tot verblyen.
In Vlaerdingh dat vvel eer vvas Gravin, en 'tgrontveste van Hollandt, in haer neer Zochten vvy 'tGhemeen beste.
Cookies on Poetry Cove