4. Handeling', 1. VVtcomen,
T'Ghemeen. ONtrust, ontstelt, verbaast door dees rasende gloeden, Mijn sinnen brandich zijn van haat en nijt ontstelt, Zulcx dat ick teghen t'Lant my selven met ghewelt Wel soude stellen gaan, D'onrustheyt myner sinnen Souden door toorn en haat wel d'schuldich plicht verwinnen: De schuldich plicht (segh ick) die ick naar t'recht verstant Als een ghetrouw ghemeen behoor te draghen t'Lant, Die soud' ick rechte voort door haat en toorne grillich, Wel stooten gants om verr', en worden oock onwillich Een ingheblasen vier, een ingheblasen haat. Des helschen Solpherpoels heeft in my al dit quaat Gherockt, k'en weet waarom doch selver niet de saacken, Daar ick met reden t'Lant int minste om can laacken: Als ick dit al bedenck, besin en souck het endt, De reden en t'waarom, zo vind' ick niets ontrent Daar met ick t'Lant te recht beschuldigen soud' moghen, Anders dan ick door nijt niet lyden mach t'verhooghen Van haaren staat, en dat ick selver int ghecry Nota. T'Gemeen gaat al woedende over ende weder over het toneel. Den gheenen niet en ben die des Lants Heerscher zy. Dit ist dat den twist maackt, en de tweedracht gaat baren Tusschen t'Lant ende my als dulkoppige scharen, En doen my rasen noch, ja wecken my tot strijt: T'is oock voorseecker my om sien wel een groot spijt Dat ick niets en vermach int zeggen noch int raden, Int willen, int begheer, int versouck noch in daden: Maar dat ick als veracht van 'tlant moet blyven een Als die hem niet verstaat; t'is al t'Ghemeen, t'Ghemeen Loopt onverstandich dul: doch wild' ick eens by desen Wel weten van het Lant wat my nodichst soud' wesen Om te leven gherust, en daar dit brandent vier Van toorne en van haat, van nijt, van twist alhier
Door werden mocht gheblust, en ick in sinnen heylich T'Gemeen gaat noch al rasende over en weer T'saam met het Lant in rust weer leven soude veylich, Hier door ben ick noch meer als voor heenen ontstelt. Edelen. Dit rasende ghemeen dulkoppich rasend' quelt Sich selven en het Lant, ick ducht tsal noch verkiesen Tgunt hun t'welvaar' en tLant sijn cracht sal doen verliesen: Maar wat voor middel best sal ons in dit gheval Nu nodich zijn hier toe? wie sal int aartsche dal Ons gheven eenich troost om desen druck te weeren? Ridderschap. Het vorderlicxt voor t'Lant souden wy wel begheeren: Maar ick en weet niet wat ick daar in seggen can. Steden. T'lant is door twist vervult, de Steden hun daar van Niet vry en kennen t'sijn, en om t'gemeen en steden Te doen leven met rust in eenicheyt, in vreeden, En weet ick ghenen raat, tghemeen is te verhart: Doch siet hier comen een, ick hoop sy weert ons smart.
Cookies on Poetry Cove