Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

2 Handelinge, 4 vvtcomste. Rentenier, Ghemeente, en Landt-man ontwaecken.

Rentenier. GHemeente op, op, op, 'tis lang ghenoech gesluymert. Ghemeente, Ha, ha, wel dat's een lust, hoe ronckt dees grove luymert; Op, op, op Landt-man, op, zidy geen slapen zat? Landt-man. Wat droes wie schoptme daer sucken voet in me gat? Sin jy't Stee-krieck? dat's kleyne vriendelijckheyt; Ha, Heerschop, goeden dach: maer met degelijck bescheyt, Laet ick jouw beyen eens mijn droom vertellen. Rentenier Wel nu, maecket dan kort. Landt-man. K'sel, luystert toe ghesellen: Maer laet zien; ja nu koom icker op. Kees Koenen Onse Dorp-schoeyer, soume maken een paer Schoenen Van glat, moy, zaft Spaens leer: en na dat ickt Wel onthouwen heb, mostense zijn netges gestickt Met excelente Orange zijd', Hoort hoe ick voer; Hy seyde mijn: (so ick docht) Deuse botte, grove Boer, Schaem gy jouw niet van sucken hoveerdigheyt? Dat hebben mijn noyt verweende Stee-luy voor gheleyt. Heerschop, k'begon te grauwen, ende seyde: Schoeyer hoort, Wat roert jouw mijn bottigheyt? ick bin rechte voort Een vande rijckste Boeren int hiele landt // schier, En als ick jouw betael, wat sel dese quandt // hier Mijn van de Stee-luy verwyten, Stee-luy hebben de moet: Maer wacht jouw voor de Boeren, die hebben 'tmoye goet; En hier me ginck ick al knorrende na d'Herbergh, 'tblaeuwe schaep, Tot dat mijn deus' burger so louter weckten uyt mijn slaep. Rentenier. K'geloof niet, dees Huysluy zijn rijck, en worden rijcker. Lant-man Daer weet ick bescheyt of. Rentenier Wel nu dan, ziet, gelijcker Sekere gemeynschap is met d'Wijngaert en d'Rust-boom, So ist oock tusschen 'tgoet, gedenck-begeert, en droom: Den Mensch die droomt van't geen m'hem daeg'lijcx ziet bedryven. Landt-man. Maer Heerschop met reen, ick seg jouw by gantsch lyven, In deuse treves, soumen niet? tis rontom pays en vree, Tis over al moy weer, in Dorp, in Landt of Stee, Licht droomtmen van 'tgeen men 'sdaegs doen wil;

Lest droomd' ick van een Bruyloft, 'sdaegs trock ick met onze Hil Te kermis: ja wel je leven en hadje sucken deun, 'tWas al 'tgelt jou een half bier; En Claes onse seun, Die daer woont by de Backer inde vergulde hamer, Die speulde beget me op de Rederijcker Camer, Heerschop hadjet e zien, je wiert gezont waerje zieck: Hy speulde sijn Rol so reyn, ja trots een Stee krieck; Hy wistet al van buyten te zeggen, ja konder Sijn dicke lijf zo na setten: dan 'tis geen wonder, Sijn Bestevaer was Facteur, en Vaer is Keyser vande bloem. Gemeente K'houw veel vant goet, Lant-man, maer weynich vande roem, Zijn de Boeren rijck dat mogense ons danck weten. Lant-man Ey maet, wat souje doen en brochten wy gheen eten? Gemeente En hoe sout ghy kermis houwen, en maecken goet chier, Hier met de Gans te ryen, daer te wijn en bier, Heel nachten over te brengen met dansen en zingen: V Wyven gaen bezilvert, en met d'handen vol ringen, Noemt het al zinnelijckheyt; Als ghy maer een pack boort, Kant minder niet wesen als tachtich ellen koort, Hoe zout ghy't al doen konnen, en gaven wy 'tgelt // niet? Rentenier Al sachtgens Gemeente, ick bid u doch en schelt // ziet Gheen Landt-luy, want voor wis 'tvalt hun al zuer genoech, Dat zie ick dagelijcx, wanneer sy so heel vroech (Mits dat de morgen star verthoont haer puper roosen, So haest de Son de vecht sich spieg'lend' heeft verkoosen) Int lant met pijn en moeyt beslaven t'suere broot, Ja drincken onderwijl wel 'twater uyt de sloot; D'een brandt schier vande Son, en gaet noch even wacker En volcht' 'tbezwete Peert om ploegen op den acker: D'een bloot-voets door het gras melckt sijn melck-rijcke Vee, D'een jaecht sijn Schapkens uyt, en d'ander drijft sijn Ossen; En zient mijn oogen niet, wanneer ick met mijn Rossen In een vier-rade Koets geseten, ry naer d'Hoef? Lant-man Heerschop, gy spreeckt als een Man, maer hy kalt als een boef. Wat mienje Stee-luy? soume niet wercken of sorgen? K'heb begat wel (laet zien) by de vijftich Morgen Goet zaey en wey-landt, en daer by so Mayts als Knechts Negen stickx, zonder mijn en mijn Wijf, dan heb ick slechts Dertich en achtien, ja achtenveertich hoy-eters. Rentenier

Al praet de Ste-man wat, hy weet (acht ick) wel beters. Landt-man Of wy eens 'sjaers kermis houwen, misgun gy ons dat? Wy doen't alleen daynck ick, gy weter niet of in stat. Gemeente Al ghenoch Huysman, ick zie schorft is haest geraeckt // man, De Rentenier spreeckt voor de Boer: maer nu gestaeckt // dan Al dese malle praet, wat dunckt u van't bestandt? Rentenier Dat het ons heel profytelijck is. Landt-man Heerschop geeft my de handt, 'tIs waeraftich zoo'ck mien met al mijn vijf zinnen. Rentenier Krijch is 'tgemeen bederf. Gemeente Nochtans wasser meer te winnen In d'oorloog alst nu is, 'tis nering-loose tijt: In krijch ginger gelt om, 'twas ider-eens profijt; De Ghemeente, wat, die voer wel thien-mael beter, Wie wat aenbrocht 'twirt verslint, Krijch is een grooten eter. Landt-man Dat's wis Ghemient, de krijch at of stal mijn wel so ick mien, In een maent tijts vier Koeyen, twee Paerden, en noch thien So Hoend'ren als Eenden, en dan noch onse koeckeloere-haen, En dan komense noch met haer leckere Hoeren aen, Die boven hun zwarte oogen dragen een vierkante luyf, Dan ist tsa Boer, schaf op, de warme Ham, Ayren en struyf, De lout're soo, Schapen vleys, Huspot met koeck, Lustige braen bout, Capoentjens: En soo'ck dan eens vloeck, En wensch de krijch dit en dat, dan ist Kinckel, voort Boer, Haelt ons goe wijn, of wy maken van jou Wijf een Hoer; En klaegh gy't de Capeteyn, zo zin gy een doot Man, So gaet het met de krijch maet. Gemeente K'hoor wel ghy houdt dan V eygen schade meer als de gemeene Lants schade. Rentenier Dat te zeggen Gemeent en is u niet gerade. Gemeente K'segh noch eens dat den krijch ons vry veel nutter is. Rentenier Hoe zo dat? Gemeente Maer alzo: wy zijn zeeckerder en wis Dat wy d'vyand weerstaen en keeren die van buyten, In d'oorloogh, daer wy nu in vreed' hun binnen sluyten: Ick kent wel dat den krijch is een bloetgierich beest,

Ghelijck-men daeg'lijcx ziet, en alsmen hoort en leest: Maer hoe? beveynsde vreed', bevint-men die niet slimmer Als krijgh? Den Syrach schrijft: Vertrout u vyandt nimmer, Inzonderheyt zulck een die so ons standt bespiet, In oorloog, of in vreed', souw die nu rusten ziet? Dat loof ick nimmermeer. Gelooft mijn Heer, gelooft // my, De slaep-vree is vol scha, eer sal 'tprat Roomsche hooft // vry Sijn g'waende heyligheyt zijn g'lijck Sint Pieter-arm, Eer dat ickt daer voor houw, dat wy door het bescharm Van't op-gepronckt bestandt geen winning en verliesen. Rentenier So moet-men van twee quaen nochtans het beste kiesen. Lant-man Dat's dat-men peys hout, en d'oorloogh voor sint velten loopt: Ick hou al te veel maets vant goet daer-men de botter om koopt, En dat konnen wy best al staep'len op een kant, Niet in de oorloogh, maer int suyvel-rijcke lant, Alsser 'tbestandt woont, die vreedzamige Joffer: Maer als ick mijn bedenck k'word' alle dagen sloffer, T'is noot dat d'egploech achter 'tpaert den acker deur-rijt, En hier staet den Landt-man en verpraet sijn reyne tijt. Rentenier Wel die sijn tijdt waerneemt alsser wat is te winnen. Ghemeente Dat's dubbelzin'ge reen, mijn Heer, gaen wy na binnen. Pausa.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove