Skip to content
1617

Vlaerdings redenrijck-bergh

Anoniem

Aansiet Lieft, Redenrijck, met Deuchde, Vreuchde, Kennis aen haar handt. Hier stelt Rhetorica Deuchde int midden, Vreucht ter hooger zyde, Kennis ter slincker syde, in toegheschickte Setelkens, aen Ansiet Liefts Voeten, Rhetorica klimt boven inden d'oppersten Setel, Ansiet Lieft in den middelsten, den Aackerboom moet staan als voren int lesen van de Kaert.

Aansiet Lieft. Mijn Vrouw en Moeder hoe wel zydy mijn ghekomen, Met Bloemen uyt u Hof, en Boomen van u Bomen, Croont, en schuylt onder 'tLof van myne Aacker-blaan. Redenrijck. Mijn Nimphe en Vriendin, ghedanckt, het werdt ghedaan. Ick wil u waardich hooft, met de kroon uyt mijn kroone, Omranden, voor de deucht die ghy doet mijn persone: Ontfanght mijn eere oudt,'tonverwelckbare Groen, Van Lauwer en van Clim, deur-vrolijckt met weldoen.

Allegader sittende, seyt Aensiet Liefd' als volcht.

Hoe ben ick met gheluck van 'tHemelsche verleenen, Ghewratzelt deur 'tverdriet, ver buyten yemandts meenen, Op 'talder onghesienst: Hoe ben ick uyt de As, Van onverganck'lijckheyt, gheklommen op Parnas, Al waar ick ben omringht, alwaar ick ben gheseten Int midden van 'tReed'rijck, int midden der Poeten, Daar Nederlandt van waacht, tot wien met alle recht Mach, Redenrijckers bent, en Rymers zijn gheseght, Die hier nu niet aleen 'tvermakelijck voort bringhen, Van tyden trovery, en behaachlijcke dinghen, Maar 'tnoodichs en het nuts, voor het vereende Landt, Tot welvaart van 'tghemeen en Volckeren welstandt, En dat met sulcken kunst van Redenen en blijcken, Dat gheen Demostenes in 'tspreecken lieffelijcken, Noch gheenen Sophocles heur erghent overtreft, Soo deftich en soo wel ist doen by een beseft. Voorwaar heeft Griecken-landt heur Wysen en Gheleerden, Om datse heuren naem groot maackten op der eerden, Veel Ghestichten seltsaam, en Op-bouwinghen hooch, (Ter eeren van haar doen,) doen oprechten int ooch. Wat sal ick u dan doen, wat hoor ick u te stichten, Wat hoon, wat groote gift; voor u uytnemend' dichten? O Susters Redenrijck, die mijn de eer aandoet, Die'k niet verghelden kan met rijckdoms overvloedt! O of den Hemel bly nu sond' van boven neer Den Goddelijcken stijl die Homerus had eer! En schreefse in mijn pen, en leyd se in mijn Tonghe, Op dat u waardenlof van my werde ghesonghen, Waar mee der Vromen doen alsoo is uytghebreydt, Dat haar levend' ghedaant duert tot in eeuwicheydt. Maar d'wijl mijn kleyne stem, u gantsch lof-waarde namen, Niet ghenoech dancken kan, soo schenck ick u te zamen, De ziele van mijn ziel, het leven van mijn lijf, De sinnen van mijn sin, 'tghewis van mijn bedrijf. Neemt dat in waarden aen levens van mijn leven, Tis u in eyghen-dom tot danck-offer ghegheven. Dan overmits Appoll' om gheen danck-offerhandt Noch vracke giericheydt wil oeff'nen zijn verstant, En vermach noch en wil ick u daar op beroopen, Maar wil al de verdienst, met deuchd' en eer af-koopen, Ghevoeder met wat smaacks van tydelijcke goedt, Dat 'tLichaam op der Aard en 'tLeven Hemels voedt.

Vreuchde singht op de Stemme, Schoon Lief ghy zijt prijs waart alleyne.

Nu Musen die u laat verlieven Op Groent van Aker-lof, Pluckt nu Groent, wilt u selfs gerieven, In't Reed'rijck Aker-hof, Door wel ghedane stof, Van kunst en van 'tHoofslachse minnen Crijcht ghy de Groente, u Vriendinnen, Op, op, en scheerter u vreucht of.

Aensiet Liefd' eysschet de Blasoenen.

Maaslandt. Ghy Olijf-spruytjens, segt, vvy zijn Wt Liefd ghesproten: VVat isset voor een Liefd', die uyt de Liefde spruyt? Comt met u Kamer-schilt, den inslach vvilt ontbloten, VVaarom u Olijf-boom spruytende Liefd' beduyt.

Haarlem. Nu Vlaamsche wit Angier, met uvve Liefd' ghetrouwe, Betoont met u Bloem-schilt,vvat Liefd' dat ghetrouvv is: En 'tgrondvest vvs bevvijs, vvaar op dat ghy gaat bouvven, Mijn ontdeckt, en verklaart tot een ghetuychenis.

Amsterdam, d'Eglentier. Komt Eg'lentierkens, die al over langhe Iaren, In Liefde hebt ghebloeyt, en bloeyt hoe langs hoe meer: Brengt de ghebloeyde Liefd', en vviltse mijn verklaren, Die ick uyt Liefd' ansie, die ick als ghy begeer.

Amsterdam, Lavendel. VVat isset voor een Ionst, segt, wit Lavendel blomen, Die van't Lavendel smaackt, en uyt Levender Ionst is? Ey neemt 't Lavendel schilt, gesmeet op d'Amstel stromen, En van Levende form doet een ghetuychenis.

Schravesandt. Ghy Bloemkens die den glans, en 'tschijnsel vande Sonne Ghelijckt en vvederstraalt, toont in u Kamer vverck, V Bloemen eyghenschap; en 'tVVoort by u begonnen, Van't Onbedruyfde Hert, vvat isset voor een vverck?

Delft. Ick raap een vreuchde uyt u Delfsche Rapen blomen, VVaar raapt ghy gheneucht in, ghy rapers van gheneucht? Is uvves Kamers vverck uyt gheneucht voort ghekomen, Soo verklaart de gheneucht, daar ick uyt rape vreucht.

Soeter-meer. Komt met Soeticheyt meer, uyt u Bloem-schilt betoonen, VVat soete soeticheyt ghy noch al meerder vvilt: Ick sal u vvederom met prijs of eer beloonen, Voor 'tgoedt dat ghy my doet, uyt danckbaarheden milt.

Ketel. Ick had Noyt meerder vreucht, noch ick vervvacht gheen meerder, Als ick heb rechte voort: Son-bloemken hoe vaart ghy, Met u Noyt meerder vreucht? die uyt het hooch kijct neder: Dan doet als ick; verklaart vvat van u vreuchde sy.

Rotterdam. Ghy die u Hof beplant met blauwe Acoleyen, Deur-vrolijckt met vvel doen, besaeyt met Minnen lof: VVilt dit versaamde Gods selfstandicheyt uytbreyen, Dat uvve Pen met svvert schreef in vergulde stof.

Goude. Gout-bloemkens die mijn hebt aanghesien door u Ionste, Betoont met u Bloem-schilt; vvat het voor Ionste is, Die ghy uyt Ionst begrijpt; en vvilt voort met u Konsten Verstercken, vvatter meer dient tot ghetuychenis.

Nootdorp. Mast-bloemkens die ick t'Iaar haar Doope hiellep geven, Op nieuvve entjens; op, met uvver Kamer merck, En toont de Liefde daar ghy het op hebt ghedreven, Die't al verwinnen kan, al vvaar het noch soo sterck.

Gorchum. Nu Seghel-bloemkens die de AEgyptsche ghebouvven, Wt Liefde hebt vernieut: nu toont dat uvve Lieft, Immer soo krachtich is, en niet minder als d'ouvven; Daar ick noch me van u, moet vverden me gherieft.

Schiedam. Ghy roode Rooskens die Aensiet der Ionckheyt jeuchdich: VVat vvil dat soete kindt, dat met dat Roosken speelt? Het lacht soo lieffelijck, het toont hem alsoo vreuchdich: Ey, mijn dat soete Kindt, met zijn soet Roosken deelt.

Dordrecht. Ghy outste aan mijn rey, laet uvve Reyn ghenuchte Met u Fonteyne hier, die uyt hypocreen vloeyt: Maar openbaart my eerst, vvat haar nat geeft voor vruchten; Op dat heur nat mijn vvoonst soo vvel als u besproeyt.

Schiedam. Komt Vygheboomkens die hier soete vvilt vergaren, 'Tis u Ov'rheyts belief, ghy sult u Doop ontfaan, Indien gh'u Kamer-merck hier laat en komt verklaren, Dattet niemant en raackt, neem ick u voor vry aan.

Vlaardingh. Mijn Leden aan mijn Lijf, en levens van miin leven, VVel op, en beelt mijn af met mijn hoedanicheyt; Op datmen niet en seght, dat ick and're voorgheve, Daar ick self niet en kan van doen eenich bescheyt.

Aansiet Liefd' seydt voorts.

Heb ick soo grooten goedt in't stuck van Rederijcken Ghenooten en ghesien met ooghen uyterlijcken. De overtreflijckheyt, o Susteren! wat sal V aanghewenden vlijt, 'tghemeene ten gheval, Dan oorbaarheden nut, en noodich openbaren? Wie sal sich houden niet in u, en u verklaren? Die wysen sult den wech van rijcke overvloet, Wat danckbaarheden milt? Wat gaven groot en goet, Zijn doch ghenoech voor u? Maar dewijl op der Aarden Na uwe wel-verdienst gheen stof en is van waarden, Sy u der eeren Croon, van waar onsterflijckheyt Van mijn voor de weldaadt tot verdienst toegheleydt. Vreuchde. Hoe sit ick Vreuchde in de Deuchde, Van't Vreuchdich Rederijck: Hoe sweeft heur Kennis inde Vreuchde Vand'r aangheboren wijck: Hoe heeft sy ons uyt 'tslijck Ghebeurt, en in haar woonst ghenomen. Vreuchde sy haar, en daars' door komen. Vreuchde sy by haar eeuwichlijck.

Aackeren-boom

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vlaerdings redenrijck-bergh · Anoniem · Poetry Cove