Uytbeelding Van den hemel op aarde t' Zamen gestelt door den Heer Fredericus van Leenhof.
EEn Hemel van een nieuw Fatzoen, Waar in men komt met kous en schoen, Men hier op aarde kan beleeven: De smalle Weg heeft afgedaan, Men magh den Breeden Weg nu gaan; Als ons Heer Leenhof heeft geschreeven.
I. Of elders noch een Heemel zy, Als hier op aard, dat slâ daar by: Den Heemel, en de Hell daar neeven Beteekenen geen Plaats, maar Staat, En word 'er van een Plaats gepraat, 'T is naar verbeelding maar geschreeven,
II. Soo wie met Epicurus Stelt Vermaak in Wellust, Eer, of Gelt, En dat verstandig aan kan leggen; Die heeft den Heemel hier alreê, Dog om welstaans wil, moet men meê Een woord of twee van Christus seggen.
III. Men maak' dan maar van Blydschap werk; Alom, in Politie, en Kerck, Koophandel, Kryg, School, Huysgesinnen, En Medicyn. De Blydschap maakt
Dat Griek, Romein en Christen raakt Standvastig blyd ten Heemel binnen.
IV. Weg Heekelaars! gaat hier van daan Die Sonden-droefheid prysen aan! Heer Leenhof heeft alleen de Vryheid Te heekelen elk een, die niet De Droefheid scherpelyk verbiet; En Stelt Bekeering maar in Blyheid.
V. Waar uyt de Blydschap ook ontstaat, S' is altyd goet en nimmer quaat; Wanneer men in Gods Eeuwig' Orden Gerust, daar by gebruykt verstand, En volgt de Wetten van het Land: Dus kan het Aardsche Heemelsch worden.
VI. Zyn Heilige geweest bedroeft? Dat hadde juyst zo niet behoeft; Sy hadden ook al hun gebreeken; En Christus, droevig zynde als Borg, Maakt ons tot Hartjes sonder sorg: Profeeten ook gebruykten streeken.
VII. Pryst ons de Schrift de Droefheid aan? Men heeft tot nog toe niet verstaan, Wat zulke Texten willen seggen; Dewyl Heer Leenhof ons bewyst, Dat als de Schrift de Droefheid pryst, Men zulks van Blydschap uyt moet leggen.
VIII. Van het Geloof men preeken moet Soo sober als Heer Leenhof doet, En prediken maar op de Zeeden: Dat niemant ook 't gemoet ontstell' Met vloek te dreigen, of de Hell;
Dit zy de Sorg der Overheeden.
IX. De Droefheid word hier soo geweert, De Blydschap word hier soo geleert, Dat elk moet lachchen onder 't leesen; De Blydschap kan bestendig zyn Door dingen, die alleen een schyn Van Blydschap hebben, maar geen weezen.
X. Dat jemant blyd' veel lyden kan, Blykt klaar in China en Japan, In Oude Grieken en Romeynen; Ook hebben door verbeeldings kragt Veel Heilige den Dood veragt, En groote Rampen doen verkleynen.
XI. Dewyl de Schrift ons segt rond uyt, Dat Liefde Vreese buyten sluyt, Soo moet 'er ook geen Droefheid weesen; Waar toe de sonden dan beschreit? Dewyl den Hemel is bereidt Voor zulke die God niet en vreezen. Sic itur ad Astra. scilicet!
Joannes Sluiter, Predikant te Raalte; onder de Classis van Zwolle.
N.B. Dit gedigt was eerst, sonder weeten van den Auteur, en daarom ook sonder syn naam gedrukt.
Cookies on Poetry Cove