[Noch Rijckdom, pracht of staat, en can my niet vermaaken]
NOch Rijckdom, pracht of staat, en can my niet vermaaken,
Noch oock dit hoogh ghebouw’, met haar verheven Daaken:
Maar vvel een Minnaar, die mijn varsche Maachdom pluckt
Eer dat of tydt, of zieckt, mijn schoone Ieught ontruckt.
Ronsaeus.