C Een ander. EN Psal. 6, 2. straft my niet, O Heere In uwen toorne seere Noch in dijn grammes moet Want ick ben cleyn van weere Swack ende teerder seere Wilt stercken (O Heere) mijn ghemoet. Psal. 6, 3 O Heere schout hier beneden Op mijn arm swacke leden Want crancheyt hangt my an Wilt my ghenade gheuen Na v woorden te leuen O Heere wilt my stercken dan.
Psa. 6, 4. Mijn gheest die is, O Heere Bedruct, bedroeft so seere Met sorch en swaren last O Heere, hoe lang salt dueren Dat ick aldus moet trueren Ende hier zijn des lijdens gast? Psa. 6, 7. Dus lig ick inder nachte Gheswact in al mijn crachte In mijn ghedachten ween Heer gheeft tranende ooghen Dat sy toch weenen moghen O Heer wilt mijn ellendt aensien. O Heer doet van my keeren Dat wonderlijcke vseeren Dat altijt is in my Groot is mijn ouertreden O Heer ick moet v beden Van het steruen behoet toch my. Wie sal toch inder Hellen O Heer, dijn lof vertellen Het is daer duyster nacht Want onder al de dooden En zijn Ja dijn gheboden Niet ghehouden noch gheacht. Mijn vianden omringen My, om neder te bringen Sterckt my, O Heere Godt soet So sullen mijn vianden Beschaemt staen haer tot schanden Dat ghy my (O Heere) zijt so goet. Die dit Liet heeft ghesongen Den strijt is hy ontsprongen Godt die heeft hem verhoort Te Ghent voor groot en cleyne Heeft hy betuycht de waerheyt reyne En sterf om Godes woort.
Cookies on Poetry Cove