C Na de wijse: Veriubileert ghy Venus ionghen. MIjnen geest die heeft altoos verlangen Om van dit vleesch verlost te zijn Want my de sonde neemt geuangen Dies lijdt mijn herte een groote pijn. En hoe dat ick altoos moet strijden Dat weten wy wel diet hebben gheproeft Ick worde bestormt van alle zijden Waer door ick dick ben seer bedroeft. Ro. 7, 18. Ick heb wel dick eenen goeden wille Maer het voldoen ghebreeckt my, siet Daerom moet ick hier af swijghen stille Joan. 15, 6.Want van my seluen en mach ick niet. Maer als ic dan Gods goetheyt aenschouwe So wort mijnen gheest wederom verweckt Dat ick zijn woort vast betrouwe Hoe seere my tquaet oock daer af treckt. Sijn woort en sal ick nemmermeer laten Want het gheeft my so stercken moet Dat ick met recht, tvleesch moet haten Al vallet my swaer, hert en onsoet. Mocht my Gods goetheyt altijt gebueren So leefdick vry sonder verdriet Verblijden soudick tot allen vren Joan. 15, 6Want sonder hem en can ick niet.
Maer die dit Liedeken eerstmael stelden Sy conuerteerden in haren sin En veel vianden haer daghelijcks quelden Godt seynde haer altijts zijn gracie in.
Cookies on Poetry Cove