Stem: Ick hoor Trommels en Trom. Pinardus. ALs Pynardus quam van jage In den soeten dageraet, Vant hy ’t niet na sijn behage Dan een Nimphje delicaet, Die hy haer vee een herders deuntje queelde, Daer de Nachtegael in’t bosje tegenspeelde Dus by haer seer vaerdigh, Waerdigh, Heeft gegroet, Uyt liefde soet. Herderin. Wel wie komt mijn hier bespringe, Daer ick dacht alleenigh was, Vermakende my met singe
By mijn Schaepjes in het Gras, Mijn geest ontroert ik ben in duysent sorge Wat my hier ontmoet so vroeg inde morge Sal zijn mijn verbijde, Lijde, Laet dan zijn, Een korte pijn. Hadieu Klaver-veld en Boompjes, Hadieu lieve Schaepjes al, Hadieu bron-fonteyne stroompjes, Hadieu maeghschap en mijn stal, U Herderin en sal u nooyt vergeten, Schoon ik met mijn Lief in weelde waer geseten, Ach, ’t fortuyn is wonder: onder In ’t bestuer Van avontuer. Pinardus. Waer door soud’ u hert vertsage Hier is geen gevaer altoos, Ick Pynardus kom van jage, Doch mijn jacht was vruchteloos, Ik reed uyt bos, u stem soet klonk my tege Hopende; hier heb ik’t rechte wilt verkrege Flucx mijn Ingewande: brande Door de Min, O Herderin. Herderin. Kan de Min soo vyerigh jage Daer ick u ben onbebent, Dat zijn loose minne-vlage, Veynsery is meest present, Gy hebt u moet ter jaght niet konne koele, Nu laet ghy ’t oogh inVenus luste woele, Dese minne-streecke, bleecke Al te veel, by rijck en eel. Pinardus. Cupido heeft mijn overwonne, Venus stoockt mijn minne-brant, ’t Pijl der liefde doet mijn jonne, Dat ick stadigh blijf konstant, Op u verlieft mijn waerde Herderinne, Dit gedurig speelt in mijn gedagt en sinne, Laet ick eens u kaecke, Smaecke, Tot verlicht Van mijn gesicht.
Herderin. Wilt u liefde toch niet sette Op een boerse Herderin, Dit sou u Geslacht besmette Door een achteloose min, Want ik bespeur gy zijt van groote Huyse, En in woon op ’t velt in slegte boere kluyse En mijn Schaepjes leyde: Weyde, Na ’t bericht Van Ouders plicht. Pinardus. Mijn liefde zal niet beswijcke Van u schoone velt-Goddin, En dit gout-juweel sal blijcke, Dat hy vast staet in mijn sin, Ik wil veel eer mijn Vaders huys verlate En verwerpen alle pracht en hoofse state, Eer ick u sou derve, Swerve, Al mijn tijdt, Met arrebeyt. Herderin. Wel hoe soud’ ghy u begeve Tot de boerse slaverny, Stellen u in sober leve Voor u Pracht een Boere Py, Dat loof ick niet al swoert gy by de Gode, Nu zijn een Heer, en werde een dienst-bode, Wilt by u wel-luste: Ruste, Die betracht, Het meest geacht. Pinardus. Dit is by propoost van rede, Dat de Liefde veel vermagh, Maer ik sal u Lief op hede, Noch verheffen desen dagh, Ick sal van u een Hoofse Juffrou maken, Kleeding na de mood’ van gout en zijde laken, En veel schoon’ Juweele, deele, Voor het Boers, Met Parel-snoers. Herderin. Ach Pynardus wilt bedare, U van dit voornemen went, Met een Herderin te pare, Die dees pracht is onbekent,
Ick weet van ’t Hof noch van de Hoofse trante, Mijn past geen Zijd’, geen Parels Diamante, Ick niet uyt mijn weyde, Scheyde, ‘k Ben vernoeght, Die mijn best voeght. Pinardus. Staeck dees last, wilt resolveeren, Lief, laet u zijn onderrecht; Ghy sult al dees stacy leeren Van mijn Kameniers en Knechts, En sien veel vreugt van spel en musikante, Op d’verheven zael veel proncken ledikante Daer wy dan met kusjes, Lusjes, Rusten fier, Na ons playsier. Herderin. Zoude wy soo los te gader Voegen ons tot desen staet, Zonder wil van u Heer Vader, Neen, gaet eerst met hem te raet, ‘k Loof, eer dat hy toe-stemde dese sake, Hy van al sijn Schat u bastert soude make; Wilt nu uws gelijcke, Kijcke, Dat ghy niet Komt in ’t verdriet. Pinardus. Wilt u liefd’ maer tot mijn neyge, Stelt dees sorge uyt u sin, Ick sal lof en eer verkrijgen, Als sy sien u schoon Goddin, Ik die wel eer staets Juffers had gepresen Maer voor schat en goet sijn liefde moet’er wesen, Dus beveelt u schaepjes, Knaepjes, By de wacht Van u Geslacht. Herderin. Ach mijn Heer, door liefs vermogen Val ick dan in u genae; Want ghy hebt mijn hert bewogen, Om te werden u Ega, Ey! laet ick eerst mijn Roosen-hoedt versieren, Om mijn veld-gewaedt met ranckjes van Laurieren,
Tot lof, prijs der mage, Drage: En tot eer Van u mijn Heer. Pinardus. Mijn Princes laet ons gaen rijden, Vaerdigh na mijns Vaders Hof, Sit met vreught nu aen mijn zijden, ’t Bly gemoet sal singen lof, Juygt bos en dal met duysent zege-zange, Ick en had in ’t Wout nooyt eelder Wildt gevangen, Die ik als met kroone, Loone, Tot mijn Bruydt, In kort besluyt.
Cookies on Poetry Cove