Een Minne-Klacht, Van een Edelman aen sijn Matres.
Voys: Courante la Bare.
KUpido leght nu uw wapens neer,
Mijn schoone Son verlaet het tegen streven:
Sy komt sigh in uw macht gebeven:
Ag! seyd zy, ach! hier baet geen tegen weer
Haer tegenstant was slechts onnut;
So dra u schicht haer strafheyt had gestut:
Haer Marmer hart wierdt stracks tot min bewogen,
Sy riep dus uyt;
Ick ben bedrogen,
Door die kleyne Guyt.
Heb danck dan kleyne Minne-Godt!
Voor al de gunst van u aen my bewesen:
Mijn luck is nu op ’t hooghst geresen,
Nu dat mijn schoone leeft na uw gebodt.
Nu dat de min haer ziel gebied,
Begint my vreugt, en eindigt mijn verdriet
Haer strafheyt, en mijn ramp sijn nu vervlogen.
Nu ist getraen,
Dan bey mijn Oogen,
En mijn rouw gedaen.
EYNDE.