Skip to content
1637

'tGheestelijck Bloem-hofken

Anoniem

Op de wijse: Het daghet inden Oosten. Och vrienden uytverkooren, Die tot Gods Schaepstal hoort, In Hoorn, wilt doch hooren, Den Hoorn van Gods woort. Die lieffelijcke minne, Van Gods heyligh aenschijn, Beeld’ die in uwen sinne, Ghy sult soo blijde zijn. Denckt hoe hy u komt smeecken,

Tot zijn Hemelsche Rijck, Twelck is een seecker teecken Dat hy u mint ghelijck. Hoe qualijck soud ‘t betamen Dat ghy weygheren soudt, Wy hooren ‘t ons te schamen Te wesen alsoo stout. Ten is geen Prins, geen Coningh Over een aerdtsche macht, Maer die daer heeft zijn wooningh By ‘t Goddelijck gheslacht. Die herten en de nieren Doorsoeckt al haer secreet, Den Mensch kan niet versieren, Het gheen hy niet en weet. Hy hevet al gheschapen Wat ghy met ooghen siet, En neemt u aen tot Schapen,

Wt enckel Liefd om niet. Desen bidt met verlanghen, Om de gunst van ons hert: Och! laet ons hem ontfanghen, Ten sal ons doen sgeen smert. Wat herten hy oyt minde Die gaf hy soete spijs, Och die dit recht versinde, Hy werd’ van herten wijs. Die ‘t herte voor hem sluyten Worden vervult met windt, Want daer het yet is buyten Het niet de plaets in-wint; Dit heb ick willen schencken Tot een ghedachtenis, Op dat ghy soudt ghedencken Dat by ons Liefde is. Wy hopen, O beminden,

Als het den Heer toelaet, Dat wy u sullen vinden Noch in een goeden staet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
'tGheestelijck Bloem-hofken · Anoniem · Poetry Cove