Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Beet hy maar toe dat s’even veel,
Hy kreeg de hoek vast in de keel.
Monsr.
Het scheelt my niet by wien ik ben,
Als ik vry labus hebben ken.
- - - - - - - -
Kraam-Vaar wier wat hupscher, hy kroop iens na de kas,
Syn hert sonk in sijn soolen,soo neepmen Bartels tas
Syn geltje smolt als wasch,
Daar was nau min, als tien pongdt in,
Weg was het alden brasch.
Vaar sou luyeren droogen, song so soet,
Luyeren, luyeren, luyeren, waar is nu al mijn moet,
Jy kraut een rijkmans goet,
O Luyermangt, had Truy gien pangdt,
‘k Trok nog te rug mijn voet.
Truytje slegte sloofje, lag ik soo in jou sin,
Dat ik in jou naymangt, gants niet op stapel vin,
De koekoek daalde min,
Soo onverhoets, raakt m’uyt sijn goets,
‘t Is Vaartje ploeg, Truy spin.