Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Ik ben goed arms, en wagt den kroon
Den Hyl’gen namaals tot myn loon.
Monsr.
Die my beheyl’kt is wel bewaart,
Ik heb voorwaar een lam’ren aart.
- - - - - - - -
‘t Goet ‘t minnen en ‘t goet missen,
Doet niet als ziel vergissen.
Nu beur ik met gedult mijn lot
Hoe avontuurs beschooren,
Al miss’ ik ‘t al behalven Godt,
Daar ‘s niet een spel verlooren,
O Gooden leert ons lijden,
En lijdende verblyden.
Nu repje voort mijn deel-genot,
U trouste sal u volgen
Al heeft die vretbarst ‘t al verbrodt,
Die brok is nu verswolgen.
Laat ons Pan smaaklijck smeeken,
Dat hem de moordt komt steeken.
En trippelen wy boswaart in,
Vyt ‘t oog der groene heyde,
Die ‘t yverig smeken heeft in ‘t sin,
Sal ‘t bosch tot aandagt lyden,
Het ligt ontbint de sinnen,
De naarheyt strengtse binnen.
Boris.Myn ongemeene minne-stook,
Nu heb jet het begreepen.
Dat u gevalt dat slaagt my oo,
Laat ons dan heen gaen sleepen,
- - - - - - - -