Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
He! Fitta! Vaar jy knipt my niet,
Een mutsje vreught een stoop verdriet.
Monsr.
Om d’onkost van de luyermant,
So blyv’ ik liever d’oude quant.
- - - - - - - -
Meen Alexo woelend’ hert,
Rusteloose Koning,
Stadig in ‘t gedruys verwert,
Van u vette woning,
Ik kies onder ‘t strooyen dak,
In genoegsaamheyt gemak,
d’Hoofsche beusel saaken,
d’Herderinnen-saaken.
Koning.
Galathea konstig dier,
Doet de konst u leven,
Wilt u met een vlugge swier,
Na het Hof begeven,
Daar een konst begeerig oor,
Staag is in een Hemels choor,
Dat mewaardig’ oogen,
Schreyen uyt medoogen.
Galathea.
Alexo verdoolde vrindt,
Swijgt van mensche keelen,
- - - - - - - -