Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
De somma van al ‘t minne-spel,
Is eer hoe liever trout slegts wel.
Monsr.
De grootste sot van ‘t minnekot,
Is die staag kluyft en nimmer vlott.
- - - - - - - -
Voor sulke neepen in de trou,
Laat d’onspoet haar so niet verveelen,
Op dat s’ uw’ eer geen glimp ontsteelt,
En soo vergaan door over-rou.
Ay stuwt dit bootje niet te gronde,
Heeft ‘t noodt- of luk-lodt oyt verbonden?
Haar Boris aan Dorothe,
O neen den Heemel heeft beslooten,
Den een by d’ander te vergrooten,
Als Abraham by Sara dee.
Leydt ons dan die ons eeuwig kende
Laat ‘t hel-aas ons’ hoop niet meer schende,
Vergunt ons ‘s nagts een arents oog,
Een haase-tret, geswinden leeden
Een zielmmet ‘t al-beschick te vreden,
Wy sijn op aarden Heemel-hoog.
Dorothe.Dat bidden heeft eerst klem,
‘t Verquickt myn hert en aderen,
Ik hoor een Heemels stem,
Door ‘t ridtselen van de blaaderen,
U rijck ryst nieu-gepaarde,
In Heemel en op aarde.
Celeris.??Daar twyffelt niemant aan,
Hoe kan de schadt verminderen,
- - - - - - - -