Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Mijn glas verloopt, ‘k was graag de Bruyt,
Och quam die regte Hy eens uyt.
Monsr.
‘k Meent eens t’hervaaten, met den dag,
Geen boom en sygt met d’eerste slag.
- - - - - - - -
Of knorje de bas,
Of krapt ‘er van ‘t meel,
Een homp in jou keel,
Soo stuuwt het eens door met een held’rend’ glas.
tSa grasoge hertjes, bepaerelt in ‘t gout,
Dees uurtjens, vol kuurtjens,
Vol rensigheydt brout:
Dist op na ons’ maag,
Tot vrolijkheydt graag,
Wilt swygen als ‘t dootje jou snatertjes houdt.
Blygeestige Nymphjens wiens glantsig gelaat
Vol vonkjens en lonkjens,
De dorrigheydt haat,
Met helder geluyt,
V keeltjens ontsluyt,
De schorrende stemmen, door ‘t klinken verstaat.
Soo Aachje, soo Neeltje, toont vreugdig krioel,
Hey! Keesje mijn Geesje
Niet langer soo koel,
V Nymphjen eens groet
Seer kuysch van gemoet
Dat schoteltjens rammelen van ‘t gewoel.
Daer hedjet nu vryers ay houdt dese tret
Soo groeyen soo bloeyen,
- - - - - - - -