Stem, O Hyligh saaligh.
O Hemeltjen vol soetigheyt!
Waar van wy dikmaalsdropjens smaaken
Wie zoud by u in eeuwigheyt,
zijn kloostertjen niet willen maaken?
Wy Engeltjens in eensaamheydt,
Ons dossigh hertje gaat weer oopen,
Nu gy weer een zyn deel bescheydt,
Waar na wy ‘t zaam geduldig Hoopen
V minnevonkjens daalde neer,
En spartelde in..... schootje,
Zy brandt met yverg begeer:
Wit komt het dertel Heemels bootjen:
- - - - - - - -