Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
‘k Mag wel een puntig jongman sien,
‘k Hoop voor geen ander my ‘t ontklien.
Monsr.
Bedaarde mydt, out-bakken Broodt,
Ter greep eweg, in hongers-noodt.
- - - - - - - -
Soo kom ick dan uyt dit gequel
En of ick haar Verlies
Ick weer een ander kies
Wat schaat t’een snel
Een Iongh gesel
Kan hy de een niet krijgen
Hy kryght een ander wel,
Schoon of de Vrysters dan gemeen
Seggen hy loopt een blauwe scheen,
Soo blyf ick ester nogh te vreen
En slaa het inde windt
Want men wel meerder vint
Daar sijnder veel
Van dit Iuweel
Al ist geen Rooselyntje,
Ick krygh nogh wel myn deel.