Skip to content
1654

't Kortswylige steekertie

Anoniem

Van die Iuffr. en Monsr. Iuffr. Sie j’al mijn vingers even lang, Ik ‘r groote gildekleet om hang.

Monsr. O goude naampje Bruygom Heer, Sta by de bak; o ‘k vry so seer.

- - - - - - - - Naare dag na so een morgen, Doen sy blymoedig na ‘t sloepje ging reppen, Om haar aampje te scheppen, (u Gooden hoe dipe lijdt u raadt verborgen) Wie soud doen voor sulcks sorghen, Dat Neptuun sijn dooden ontbinden soud willen, Dian. Dian. Dian. te killen.

Och me dunkt ‘k haar bitter schreyen, Nog hoor dobb’rend op de Buldrende golven, Die haar borsjens bedolven, Al borrelend Titer moet ick hier scheyen, Laat ik my dan bereyen De Zee sal de brant die gy dogy uyt te kussen, Dian, Dian, Dian, uytblussen. Dianiertje sagt van sinnen Wat mogt de See-Godt my landewaarts dryven, Daar ‘k beter konde blyven, In d’armpjens van mijn geswooren vrindinne, Daan ‘k loon van al mijn minne, Doen ‘t spel so doots endigde had mogen schatten, Dian, Dian, Dian, t’omvatten.

- - - - - - - -

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
't Kortswylige steekertie · Anoniem · Poetry Cove