Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Ik peyns’ op klooster en op graf,
Ach kint ik sterv’ de Werelt af.
Monsr.
Vaar wel Ziel-diefjens ‘k schyd’er uyt,
De doot-kist is myn liefste bruydt.
- - - - - - - -
Tot den bloedt-drop liever ploegen,
‘t Vergenoegen,
Maakt een hooger geest haast rijk,
Aan Diogenes het stellen,
Sonder quellen,
In een kuyp ik in een wyk.
Ben ick buyten eens verschooven,
Die daar boven,
Sit, my buyten wel besorgt,
Wat dog heeft voor sekerheeden,
Wal of steden,
Buyten dese Buyten-borgt.