Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Wat is de wellust schoonheyt, goet?
Een staagh gebreck in overvloet.
Monsr.
Men pay een suffaart met de schyn,
Ik soek het wel en eeuwigh syn.
- - - - - - - -
Niet verstemt van menschen-tongen,
Ongedwongen,
Keur ik dit aal-oude gilt,
Al het vryen en het trouwen,
Steekt vol rouwen,
Salig die daar niet aan tilt.
‘k Ben voor al des werelts oogen,
Vuyl bedroogen,
Van dat diamante ding.
Maar eer sal de Heemel vallen,
Eer ‘k weer mallen
Wil dan aan de boere-kring.
Eer sal see in sant verkeeren,
Eer ‘t begeeren,
Tot een stads eedbreekster strekt,
Eer die reukeloose Claare,
My tot haare,
Helsche slaverny weer trekt.
Tantalus met u eer lyen,
Dan gaan vryen,
In de Wispeltuure stadt,
Wie het lust my nu nog morgen,
Sonder sorgen,
Alle ding behalven dat.
- - - - - - - -