Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Het snaaren-spel en soet gesang,
Dat trou ik al myn leeven lang.
Monsr.
Ik geef my voor een piemieuw aan,
Maar ‘t sel met trouwen wel vergaan.
- - - - - - - -
Dan dog loopt om’ ellende,
Schier ende loos ten ende.
Myn eyge Boris laat u staf,
Vry ryten en verrotten,
Beveelt het sootjen die ‘t u gaf,
‘t Sal dog met ons niet hotten,
Ons swoegen is verlooren,
Wy sijn tot ramp gebooren.
Boris.Waar toe vervalje Dorothe?
Dees misslag is te byster,
Ik nam u vry voor sterker mee,
Hoe treft u dese tyster?
Wat komt van wederstreeven?
Een rondt rampsaalig leeven.
‘k Bely met u myn twede ziel,
Hy sag den vraadt aanklampen
En u naritsend op den hiel
Stantvastig met hem kampen,
‘k Beken het gaarn’ myn waarde,
Myn eene troost op aarde.
Maar nimmer gelt dat wan-besluyt,
Aan een van al de winden,
Als pan iets waardigs geeft ten buyt,
Dat hy ‘t al laat verslinden,
- - - - - - - -