Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Die ‘t minnevuur oyt heeft gevoelt,
Die spel hoe ‘t in myn lyf krioelt.
Monsr.
Sy gloeyt lyk als een krul in ‘t vier,
Strakx kryg ik wyn voor scharre bier.
- - - - - - - -
Dit laat dunkende spilvryster,
Die malloot, die leugensak,
Word’ het minnespoor so byster,
Datse raak in d’Almenak.
Nog gaat sy myn kuysheyt lasteren,
Wat beleeven wy een tyt,
Dat’s de werelt eerst verbasteren
Eesels-schoften draagt dees’ spyt.
Vrou-mens sluypt in u gewisse,
Merkt eens u rampsaligheyt,
Vw’s gelijk mengt gy vergissen,
Nimmer geen alwetenheyt.
Al te heylig is ‘t gewisse
Dat g’er so vals tegenpleyt,
‘k Weet gy kunt wel menschen missen,
Maar geen God des eeuwigheyt.
Betert u van voor en achter.
Treurt om ‘t voor verbrodde werk,
In u na taak syt bedagter,
Raad u met syn woort en kerk.
Viel u (nog meer om beschreyen)
Dit hoognoodig een te suur,
‘t Heydendom sal u opteyen,
Niet te syn of trou met duur,
- - - - - - - -