Skip to content
1654

't Kortswylige steekertie

Anoniem

Van die Iuffr. en Monsr. Iuffr. Ik soek wat deegs iets sonderling, Een goet Godvreesend Iongeling.

Monsr. Ik soek een Iomfer na myn sin, Een heldre das, een stuyver min.

- - - - - - - - Steenen weet-men door staag denken, Weyg’ren noyt een vonkjen vier, Harde mispels sijn te menken, In de slag verhard dit dier. Och wat valt ‘er al te leeren Op den bodem van ‘t Heel-Al,

Niet ontschoot ‘er myn begeeren Dan in deese minne-val. Wat mogt ik oyt min gaan sayen Daar ik nimmer mayen sou? So veel blaagjens sien verwayen, Seg men met genoeg myn trou? Blonk ‘er niet geslaagen minne Doen sy my in ‘t agterwout, Niet gedwongen vry van sinnen, Mynen kling was toebetrout. Doense kreet met luyder stemme, Constantine berg myn lijf, Schokkevast wil my beklemmen Hier verdienje wis een wyf. Maar dit troutje vloog op blaatjes Blaatjens gaven ‘t aen de wint, ‘t Syn maar afgeperste praatjes Liefde die geen loonen vint.

- - - - - - - -

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
't Kortswylige steekertie · Anoniem · Poetry Cove